vlakte waren, drong men tegen hen aan, schreeuwde hen scheldwoorden toe.
— Klabakke — gemeine buitenpummels — se hebben man se kop in twei-e gesloage —
— Moordenoars — moordenoars!
De stakers verheelden niet dat hun woede tegen de bazen in de tram was gericht en omsingelde deze. De conducteur had de hekken gesloten en weigerde passagiers in te nemen.
— Ik mot d’r in — ik mot d’r in, schreeuwde de schele — ik mot d'r in — ik betoal net sou goed as dat boefetuig....
— Niemand meer d’r in — de tram is vol — hield de conducteur vol. Als razend trok hij aan de schèl, maar de tram bleef staan als was ze vastgevroren.
De toestand werd critiek. Van alle kanten stroomden menschen toe, nu in hoofdzaak werklieden. Zij kwamen van de dichtbij zijnde bouwwerken, die in het winterseizoen, vroeg in den avond stopzetten.
Velen daaronder waren den stakers goed gezind en na weinige woorden van inlichting, kende hun verontwaardiging geen grenzen.
— ’t Sain boase — riepen ze elkaar toe. Eerst speile se four mafferts en dan schiete se nog op stoakers.
Die lui loate se frai uit goan----
— Hei — mourdenoars — mourdenoars----!
— We motte se d'r uithoale--se motte four het ge
recht.
— Loate wai ’s een maffert een douw geife, dan hang je, vertelde de schele met vroom-verontwaardigd gezicht aan elk die luisteren wou. Four één tik goa je den lik in — en dat souitje het ’n heil uur op ons geschoute....!
— En se loate se frai uitgoan.... Sailui weite fan niks----
— Dat is nou je reinste klassejustitie, beweerde een man
45