— Hei — doar — woar goat dat hein? schreeuwde de eerste klas hen toe.
— Kop dicht!
— Sta!
— Fal doud! riep de schele.
— Sta seg ik jelui — sta!
— Jonges — doar goat Bosch — schreeuwde de-poot en maakte een woeste beweging die den agent deed schrikken.
— Woar — woar----?
— Doar — bai die tram — ferdourie — die andere slampamper het-ie bai sich....
Bosch en Plaat stonden inderdaad bij de tramhalte; zij hadden naar den aftocht der gevangenen gekeken, om te trachten eventueele loodgieters te herkennen.
Nu keken zij op en schrokken. Meer dan vijftien mannen stormden op hen af____
Het publiek bleef weer staan, het voorzag een herhaling van het gebeurde. De twee agenten waren machteloos de pogingen tot verzameling te beletten. Eén greep zijn fluitje, maar voor hij het aan den mond had gezet, kneep Willem zijn arm vast. Niet voor niets heette hij onder de makkers de-ijzeren-poot. De agent slaakte een kreet van pijn en liet het fluitje vallen.
Bosch en Plaat waren in de tram gevlucht; de conducteur schelde, maar ze ging niet vooruit. Het was den bestuurder onmogelijk, door de dichte menschen-menigte, die zich wonderlijk snel weer samenpakte een weg te banen.
— Mourdenoars — mourdenoars! schreeuwden de stakers.
Onder het publiek waren er velen die het woeste optreden van den inspecteur hadden gezien en dachten dat de kwalificatie op de agenten duidde. Nu er maar twee op de 44