ingedrukt, hetgeen nieuwe ongelukken tengevolge had. De scherven spatten naar binnen en wondden de passagiers.
De inspecteur had Groot de timmerkeet doen binnendragen en wachtte nu de mannen af, die de ladders afstormden. Wie beneden kwam werd direct gevat en als gevangene beschouwd. Zelfs de patroons Bosch en Plaat, werden gelijk behandeld.
— Sie je niet dat ik een boas bin, riep de eerste woedend, maar de breede hand van een grooten agent naast hem, sloot hem den mond.
— Hou je smoel — We zalle je baze.
Eén staker liep regelrecht in handen der politie. Frits de kaaskop had zich het genot voorbehouden, langs dezelfde ladder neer te komen, als Plaat, om dien al gaande langs de ladder, op de handen te trappen. Dat was zijn verderf. De anderen, onder leiding van den-poot, waren voorloopig boven gebleven, om het schouwspel te zien dat zich beneden aan den voorgevel afspeelde.
Schele-Ko ging op verkenning uit; aan den achterkant bleek geen politie te staan.
Stil daalden zij en trokken zich terug in de kalk-keet, achter het werk. Voor het oogenblik voelden zij zich veilig. —
Aan den voorkant scheen het kalmer te worden. Nog steeds stuwden de agenten het volk op — dat een beetje verademing had gekregen doordat een tram zich had vrijgemaakt. Het loopen werd nu althans mogelijk, alhoewel de groote menigte zich slechts heel langzaam kon oplossen.
In de timmerkeet was het Plaat en Bosch gelukt, hun baasschap door den inspecteur te doen erkennen. Hen werd verlof gegeven te vertrekken. Den gevangen genomen timmerlieden en metselaars, benevens Frits-de-kaaskop, wilde hij niet loslaten. Een kolonne van tien agenten schaarde zich om hen
41