— U bent een vrouw, een echte vrouw, zei hij, ernstiger dan hij ooit sprak. Er is hier vlak bij een apotheek — daar dragen we hem heen —.
Bij de ladder aan den voorgevel bleef de inspecteur staan. Het geworstel had beneden opgehouden, maar boven werd nog druk gevochten; het rumoer hield onverzwakt aan.
Hij stak zijn degen in de schede en greep een sport; het opklimmen was ongewoon werk voor hem.
— Tien man meé — tien man drijven het volk____
Een ontzettende gil die door de lucht sneed, deed zijn stem
verstommen. Een gekraak als van losschietende latten — een schok — een zwaar lichaam plofte naar beneden en sloeg tegen den grond. De stakers daarboven hadden baas Groot naar beneden gesmeten.
De gil, de plons, was door een duizendvoudigen kreet uit de menigte beantwoord geworden. Dan was het een ondeelbaar oogenblik stil, als was de dood over allen neergedaald.
Een hevig tumult, een gedrang en geworstel langs de ladders van boven af volgde nu. Plaat en Bosch, de knechten van Scholte, de timmerlieden en metselaars, allen zochten een heenkomen, vochten om het eerst van de steigers te komen, in uitzinnigen angst voor den-ijzeren-poot en zijn mannen, die vreeselijk huishielden.
— Met de sabel d’r op in! schreeuwde de inspecteur, wien het volk weer op het lijf was gedrongen. Hij hoopte nu een goede vangst te hebben en wilde zich alvast ruimte bij de ladders verschaffen, voor het ontvangen der stakers.
Politie joeg het volk weer op, hardnekkiger, meedoogen-loozer dan tevoren. De trams werden stikvol van vluchtelingen, de conducteurs hadden alle zeggingskracht over hun wagens verloren. Wat niet meer in de trams kon —drong er tegen aan, wegens gebrek aan een uitweg. Ruiten werden 40