naar boven wilden. De architects-opzichter had er eerst vertwijfelend bijgestaan, en was toen op een drafje wegge-loopen om telephonisch politie te roepen.
Iedereen die de straat door moest bleef staan; de men-schenmassa groeide met elke seconde aan. Weldra was het rondom het werk in de gansche breedte der straat zwart van menschen. Eenige politieagenten, die dichtbij hadden op post gestaan, waren gewaarschuwd en toegesneld. Ze konden niet veel meer doen dan bemiddelend optreden tusschen de vechtende partijen bij de ladders. Van naar boven gaan was geen sprake.
Bij elk nieuw schot ging er een rilling door de menigte. Vrouwen gilden, grepen kinderen in haar armen en wilden zich wegmaken. Maar de menschen stonden te dicht op elkaar gedrongen, wilden en konden niet wijken.
Mannen, meest werkloozen, werden opgewonden door het voortdurend knallen, schreeuwden hun verontwaardiging uit.
— Die fuile mafferts hebbe pistoule!
— As je godsalme... onderkruiper bint, mag je mourde...
— Mourdenoars____! Mourdenoars____!
— Sch huise ! Siekreite____!
— Godf ... sche mourdenoars____!
Scholte had met moeite de straat bereikt. Hij zag doodsbleek en scheen te ontroerd om op zijn beenen te staan. In het gewone leven was hij een net en bedaard man, die door de week orde op zijn zaken hield en op zondag in de kerk collecteerde. Voor de staking had hij nooit omgegaan met patroons als Plaat, Bosch en Groot, die ook in patroons-kringen als uitschot werden beschouwd. Nu hij met eenige nieuwe werken tegelijk zat waarmede haast was, had hij dankbaar hun aanbod om te komen helpen aanvaard, den-
37