steen van den steiger en slingerde dien naar Groot’s hoofd. Deze ontweek nog juist den gevaarlijken worp.
— Blaif stoan as je ’n keirel bint — set die leir neir, as je
lef het____gilde Ko woest.
— Langs de poale noa boufe, gromde Willem-met den-ijzeren-poot en gaf direct het voorbeeld. Hij slingerde armen en beenen om een steigerpaal, en werkte zich er langs op. De paal die hoogerop geen verbinding had met den muur, slingerde vervaarlijk onder het zware lichaam.
— Willem — je soudemietert d’r af, schreeuwden eenigen, die zijn moed misten. De schele, de manke, Jaap-de-leugenaar en Toon-hazelip — hadden andere palen besprongen.
— As jullie godf.... niet durft—ik wel, schreeuwde de-poot.
Pang! Daar knalde een schot Baas Groot had z’n revolver
getrokken en vuurde haar in de lucht af.
— De eirste de beste die op den kap komt — kraigt ’n blauwe boun, krijschte hij, zelf zoo bleek als een doek.
Slechts heel even maakte het schot indruk; de timmerlieden op den steiger schrokken het meest en protesteerden.
— Hè — wat mot dat!
— As ’t godferdomme sou goat — loasere wailui — jullie noa beneide!
— Wat mot dat maffertssoutje hier doen!
— An jou woag ik me tien joar — fuile weggedroste klo-nioal, brulde de-poot, nu razend geworden. Met een behendige beweging, slingerde hij zich in de lijstgoot en werkte zich tegen het dakbeschot op.
De bazen Plaat en Bosch waren op het schot komen toesnellen, hun revolver in de hand houdend. Baas Scholte echter, wien het werk eigenlik aanging, was erg bevreesd voor vuurwapenen en probeerde langs den achterkant naar beneden te komen.
35