en was eerder dan de anderen op den ondersten rondsteiger. Langs alle vier ladders was de bestorming tegelijk begonnen, zoodat het in een oogenblik, op den ondersten steiger wemelde van manchester broeken.
Juist kwam de onderbaas van den aannemer, de bovenste ladder af.
— Wat mot dat? vroeg hij streng.
— Bin-u de onderboas? wedervroeg de-ijzeren-poot onverschillig.
— Ja man — wat mot al dat volk op steiger? Vooruit — al wat hier niet hoort — mijn werk af.
— Eirst de mafferts noa beneide, zei Willem bedaard.
— De mafferts ’t werk af — de mafferts 't werk af — joelden de mannen.
— Smeere jullie ’m — of ik schel politie op.
— Man leg niet te aile — duwde Willem hem opzij. F’ruit wie goatd’rmei!
De tegenstand van den onderbaas baatte niets tegen den wilden troep.
— ’t Zijn allemaal baze, schreeuwde hij den stakers na, die hoogerop stormden.
— Die motte me juist hebbe.
Op den bovensten steiger verhief zich een vervaarlijk gejoel. De loodgietersbazen, die op het dak werkzaam waren, hadden de ladder die op den bovenste steiger stond, opgetrokken, zeer tegen den zin der stakers.
— Loate jelui die leir stoan — fuile mafferts, gilde de schele.
Baas Groot, een groote, breedgeschouderde kerel lachte hem smalend uit.
— Dat sou je wel wille — scheile!
— Godferd.... fuile ruigpout, ik sal je.... Ko greep eea 34