de anderen op een kreet van hem bij het refrein in en zongen dat dan tot het einde toe, mee. In de straat was het rumoerig van spelende kinderen in het zand. Jongens hadden in een zandheuvel een grot gegraven en daar binnen meisjes laten zitten, die de gevangen genomen „edele maagden" moesten voorstellen. Deze maagden hadden het daar binnen gauw benauwd gevonden en schreiden luid om er uit te mogen. Maar dat ging niet zoo gemakkelijk. Haar wacht was niet te vermurwen en de bevrijders, die haar zouden verlossen, moesten eerst door drie liniën heenbreken. Dat was nu wel geen zware taak, want elke linie was maar half zoo zwak als het bevrijdingsleger. Doch, de kapitein van de buitenlinie had een sigarette opgestoken en nu stond het geheele bevrijdingsleger om hem geschaard, om een „dampie” tesmee-ken. Die niet even halen mocht, genoot dan toch nog van den rook, dien de anderen uitbliezen. En ondertusschen huilden de meisjes om haar moeder en riepen ze dat ze nooit weer zouden meedoen.
De vereenigde inspectie- en knokploeg ontzag bevrijdingsleger noch verdedigers en bezette zonder slag of stoot de grot, die onder de voeten der aanrukkende loodgieters ineenstortte. De meisjes vluchtten tusschen de beenen der mannen door en maakten in de verte sliep-uit tegen haar vrijertjes in het bevrijdingsleger.
— Moar metein noa de kap Willem, sloeg schele-Ko voor.
— En wat dan? vroeg de-ijzeren-poot grommend.
— Sloan we se datte se gein fin meir ferroere kanne.
— Seiker fan foure op noa boufe — dat se ’m an den achterkant drosse.
— Wat wou jai dan.
— Eirst d’r omhein....
De-poot bleef met een stuk of wat mannen op de voor-32