nog behoorlijk op zijn plaats worden gebracht om tezamen een plaveisel te vormen.
Het karwei waar Scholte met personeel en collega’s bezig was, moest een groote sigarenfabriek worden, maar was vooralsnog een kolossale, holle ruimte waarin vloeren noch trappen waren. De zijmuren waren gereed en het dak lag er op, doch binnenin was nog niets te zien dan de balklagen, die aanduidden waar de verdiepingen zouden komen.
Het karwei stond geheel vrij en was omgeven van een vierkant omloopenden steiger. Langs eiken muur liepen steigerleeren tot aan het dak, zoodat dit langs vier wegen te bereiken was.
Toen de-ijzeren-poot met zijn legertje in de straat verscheen, was het karwei in vollen gang en gaf het, het leuk-bedrijvig aanzicht van elk groot bouwwerk.
Opperlieden met een tas steenen of den kalkmout op den schouder trippelden vlug de leer op, zetten hun vracht op den ondersten steiger neer en daalden dan weer vlug om nieuwe lasten te halen. Andere sjouwerlieden kwamen van een hoogere ladder af, droegen daar de steenen en kalk tegen op en brachten ze, den steiger in het vierkant omloo-pend, bij de metselaars.
Hol klonken, tot beneden aan toe, de regelmatige hamerslagen der timmerlieden, die het dakbeschot aanbrachten en daartusschen door piepte het fluitje van den jongen die om hen heen liep of in den weg stond. Gelijkstraats, waar het kantoor zou komen, was de timmerkeet gevestigd. Hier stonden de oudste timmerlieden te zagen en te schaven, om datgene klaar te maken, wat hun makkers op de verdiepingen moesten stellen en aanbrengen. Zij stonden binnen, hadden den achterkant dichtgetimmerd en werkten nu vrijwel tochtvrij. Een hunner zong een schuin liedje en telkens vielen
31