hachelijke positie niet ontveinsde. Douwe was natuurlijk bij Mientje, dacht hij. Hij begreep te moeten voorkomen, dat de knokploeg den jongen ging zoeken; want, zoo die hem in de buurt van Smikkels woning aantrof, zou er waarschijnlijk maar weinig van hem overblijven.
— Ik wil het woord, Landers — beet hij den voorzitter toe*
— Even geduld — ik kan niet eens mezelf verstaanbaar maken.
Het gejoel en gedreig in de zaal hield aan en werd versterkt door het wild gegil der jonge stakertjes, die weer eens de kans schoon zagen.
— Die Colain — die Colain, schreeuwde Smul die Douwe
slecht verdragen kon, die Colain moste me ouk molle____
— Is tie ouk — an ’t maffe____!
— Ouk sou’n fuile maffert____
Joop gaf met den vuist een slag op de tafel dat ze kraakte.
— Dat lieg je — die dat zegt liegt! Een uur geleden heb ik hem nog gesproken, joeg zijn stem de zaal in.
Zijn geluid drong door —. Het gejoel weifelde als het ware....
— Mannen — ik sta in voor Douwe Colijn — ik weet dat hij staakt en blijft staken — tot we gewonnen of verloren hebben. Ik spreek hem eiken dag.
— Ha die Jopie, juichten de jongens die altijd grapjes met hem hadden.
— Ha die Jopie — joelden de grooten na. Zij kenden hem in zijn weergalooze onverschilligheid in het leven en zijn even weergalooze roekeloosheid in het werk, in gevaarlijke situaties. Twee hoedanigheden die onder hen het meest werden gewaardeerd. En — ze hingen hem aan, wijl hij glad was als geen hunner, aangenaam kon spreken op vergadering en een goed kameraad was.
24