Pang! Pang!
De voorzitter, de jonge man met de lichte, blauwe oogen, stond kaarsrecht achter de tafel en trommelde hevig met zijn hamer.
— Stilte! Stilte! Zitten gaan!
Mannen, we hebben er onderkruipers bijgekregen — één daarvan is u ongetwijfeld allen wel bekend — wijl hij zich nogal eens liet hooren op vergadering____
— Joa die fuile huicheloar____
— We moste se molle--we moste se molle--. Dat
hebbe se in Ameirikoa ouk gedoan....
— Joa ferdikme — de gracht mit se in____
— Hei heit nog ’n moat ouk — net sou’n lid as hai....
— Joa — joa — woar is die Colain — Colain____
— Da’s ’n mederne —. Doar sit ouk de pest in — net as in die christelijke....
Allen schreeuwden door elkaar en onderwijl hamerde de voorzitter geducht — zonder stilte te verkrijgen. De bedrukte geest, die aan het begin der vergadering den mannen scheen te beheerschen — was vervloden. Nu gloeiden de gezichten van verontwaardiging, van woede, van verzet.
Frits Landers — kon een glunderen lach niet onderdrukken. Hij kende de mannen, hij wist hoe hen nieuwen geestdrift, nieuwen drang tot verzet moest worden bijgebracht. Die onderkruipers hadden hun nut.
Het geschreeuw naar Colijn hield aan, er verhieven zich ook nu tegen hem, dreigtonen. Douwe was nooit bemind geweest, omdat hij een richting in de vakbeweging voorstond, waartegen de groote meerderheid zijner makkers scherp was gekant.
Joop had met één blik gezien, dat hij niet in de zaal was, en moest zijns ondanks glimlachen, hoewel hij zich Colijns
23