— As Jopie dat segt — dan is ’t sou, riep Henk-de-mop.
— Joa — joa schreeuwde schele-Ko, Colain is in orde — mot ’r eindje wat?
Niemand moest wat.
— Moar woar is tie dan, vinnig snauwde Smul. As jai sulleke goeie kammeroade mit 'm bint — sal je wel weite — woar of tie nou uithangt.
— Of ik dat weet, schertste Joop weer. Hij moetz’n jongste een schoone luier aandoen — die wil alleen door hem worden geholpen. Je vrouw moest hem maar voor baker aannemen, die is haast weer zoover, is het niet?
Dat sloeg in en de vroolijkheid kende geen grenzen. Van Smul was onder alle vakgenooten bekend dat zijn vrouw, sedert haar huwelijk elk jaar een kind had gebaard waarvan de meesten waren blijven leven. Zij verwachtte nu haar dertiende.
Smul zag Joop verwoed aan, gehinderd dat deze hem tot mikpunt der algemeene vroolijkheid had gemaakt, maar Joop knikte hem vriendelijk toe. Hij was een allemansvriend.
Hé — hé — riep hij, toen de jool zijn tijd had gehad, wat staan jelui nou te grinniken als ouwe wijven. Hoor jeniet dat er maffers zijn bij gekomen?
De voorzitter hamerde.
— Mannen — je hoort wat Ranschoen zegt. Er zijn maffers bijgekomen — die moeten de winkels worden uitgesleept — en de anderen ook. Kameraden — dat die lui den moed hebben laten zakken was ook gedeeltelijk uw schuld. Jullie gezanik onder elkaar, jullie gemier om een paar centen minder uitkeering, jullie slappe houding tegen de onderkruipers zijn de oorzaken, dat die lui meenen ongestraft den boel te mogen verraden.
Er op uit — allen er op uit — gaat met elkaar. Hein
25