jonge man met bleek gezicht en blauwe kringen onder de oogen had een glas melk voor zich staan, waarvan hij af en toe een klein teugje nam. Den tijd dat hij niet dronk wierp hij er teedere blikken naar.
Nelis begreep niet dat er melk klaar stond — en pijnigde zijn versuft brein af met de vraag, wanneer hij ze had besteld. Maar — het glas melk was er — hij behoefde zich dus niet af te vragen hoe het er was gekomen.
Zig-zagsgewijs stevende hij er op aan, met uitgestoken hand, maar de bleeke jonge man die reeds van Nelis’ nieuwste neiging had gehoord nam het glas beet en keek hem uitdagend aan. Dronken-Nelis bleef staan, verbluft over die dwaasheid. Dan spuwde hij verachtelijk op den grond en keerde zich om.
Toen Nico binnenkwam, schemerde hem flauw voor den geest dat hij hem al gister had gezien, maar niet gesproken. Nu stevende hij direct op hem aan.
— W’rom was je sou gauw weg, gistere?
— Ik had hoast, loog Nico die op een prik wist, hoe met dronken lui om te gaan. Heb je nog om me kwartje gedacht?
— Wie s’n kwartje?
— Maine!
— Wat four een kwartje?
— Leg nou niet te kletse — ik sou een kwartje kraige as ’k die maid fan je opsnorde.
— Nou — fruit dan.
— Nou — ik heb d’r toch seiker geschoakt.
— Woar dan?
— In me sak — malle.
Hij gaf den brief, welken Nelis een keer of vier las. Toen begreep hij er iets van.
10