— Hai-je-d'r gesprouke, jong?
— Nou — een goafe teif — hour!
— Sou is ’t — sou is 't. En se is mal op me — se is niet fan me laif af te sloan — as ik in de conterai bin. "Wat sait se?
— Se huilde — en se lachte — en toen most ik suipe — echte wain hour....
— Sonde — sonde — had mit ’n potje bier afgekend, mompelde Nelis zuinig. Enne — enne — hoe is ’t nou mit de graipstuifers ?
Nico meesmuilde.
— Geld wil se niet fan je hebbe — dat is sou d’r stand niet — moar ’n pisang of sou lust se wel — en je most ’n bekèt sture — dat is sou d'r stand. D’r keirel het niks in de smiese.
— Wat een fuil adder — het se gein knoak gegeife? Hoe mot ik dan pisange koupe? Ferkeirde opvatting fan sou’n maid — finoal ferkeird.
Dan werd hij ongerust en keek hij Nico wantrouwend aan.
— Heb je je fesoenlijk angesteld jong? Je heb toch niet je
poute noa d’r uitgestouke____
— An dat ou-e loeder? grinnikte Nico. Dan bedwong hij zich, zette zich nevens Nelis en liet zijn jongensfantasie gaan.
Hij vertelde van de fijne inrichting van het huis, speciaal van het prachtig ameublement in het salon, waar hij had zitten drinken. En — van de weelderige vormen der aangebedene van Nelis, van haar tranen toen ze hoorde dat hij met den commissaris gevochten had en van de innige liefde die ze hem nog steeds toedroeg. Sinds ze Nelis voor den eersten keer had gezien was zij voor haar man geheel onverschillig geworden en wanneer zij een uurtje met hem had onder de boomen gewandeld, dacht ze er nog dagen lang aan.
11