— Is het zoo goed, Nico ?
— ’t Begint pas. Je mot nog oufer je liefde klepsaike en
oufer de beket en dat-ie hier ’s fourbai mot loupe____
— Dank je hartelijk----
— Mot je ’tnou niet ferpeste — ’t ging al net sou moui....
Dan kan jai ’m ommers ouk ’s sien — je hoeft toch niet buite te komme en om s’n hals te falie____
— En als-ie zoo dronken is — dat-ie aanschelt ?
— Doet-ie niet--en as tie ’t wel doet — jou een biet
Bin jai mefrau ? As-tie d’r siet falt-ie sekuur om d’r hals — en dan fergeit se____
— Wien? vroeg ze ooglachend,
— Niemand! Schraif nou ferder Stien.
„Ik hou veel van U, schreef ze, en als U van mij houdt moet U dat toonen door me wat te zenden — een versnapering of zoo. Die jongen lijkt me wel te vertrouwen. — Komt U eens voorbij wandelen? Maar vooral niet schellen, hoor! En gauw doorloopen, voor mijn familie. Zeg maar tegen Nico — wanneer! Dag! Met een hand en vele kussen,
Uwe,
— Wat zal ik zetten, Nico?
— Mefrou hiet ommers Ameilie, niet?
— Dank je hartelijk, aan mijn lijf niet.
— Nou, set dan Josephine, of Geradine, of sou’n anderen boekenoam — as't kind moar ’n noam het.
Stien onderteekende Cornelia, een naam dien ze dol graag zou hebben gedragen.
— Nou — smeer ’m nou direct — oolijkerd!
Nico stond al op straat, met zijn briefje in de hand en wierp haar kushandjes toe. Dan gleed hij voort, langs een sneeuw-baan, door kinderen aangelegd.
8