versterkt. Ze wist toch maar drommels goed, hoe het hoort, dacht hij.
Smikkel zelf trof hij nooit.
Zijn vrouw had hem op de hoogte gebracht van Douwe’s bezoek en verteld dat hij wist dat zijn maat werkte. Joop Ranschoen had beloofd voor hem in te staan, had ze er tot zijn geruststelling aan toegevoegd.
Toch — was hij er niet verlangend naar hem te ontmoeten. Het stemde hem onprettig, den goedigen jongen zoo te verongelijken — ofschoon hij er minder dan ooit over prak-tizeerde, het onderkruipen te laten.
Zijn vrouw liet niet na, hem keer op keer te verzekeren, dat Douwe toch bepaald en uitsluitend om Mientje kwam. Trof hij haar thuis, dan kon-ie wel een uur aaneen, zwijgend naar haar zitten kijken en — ze had heel goed opgemerkt dat het meisje geen woord kon zeggen of hij bloosde als een jónge meid. Smikkel was er echter minder mee ingenomen dan zijn vrouw, die Douwe niet zoo’n kwade partij vond. Al was zijn jonge maat ook niet zoo’n woesteling als Smul en anderen, toch was hij lid van den modernen arbeidersbond en niet vrij van socialistische bevliegingen. Als kameraad in het werk, kon hij dat wel velen, maar tot schoonzoon had hij toch liever een christelijk jongmensch. Waarop zijn vrouw weer antwoordde, dat ze nu niet heel zeker was, dat Mientje wel zoo veel om hem gaf, als hij om haar. Immers, deed het kind altijd mal deftig en ongenaakbaar in zijn tegenwoordigheid en was ze nooit overvriendelijk tegen hem.
Zoo was het ook. Joop wist in den regel den zelfden dag nog, dat Douwe er weer was geweest en met Mientje verkneuterde hij zich dan in het herhalen van zijn verlegen gezegden en haar preutsche antwoorden. Ze spraken af dat zij vooralsnog zelfs geen kwartier met hem mocht gaan wan-
169