— Beknor Mientje maar niet, vrouw Smikkel, nam Joop het voor haar op, we kwamen net binnen. Ik zit al.
Mientje zette de aardappels opzij, veegde beide handen af en gaf Douwe een stoel. Ze zette zich dicht bij hem.
— Koud op straat?
— Ja — ’t vriest nog hard. Hier is het wel te houden.
— Ja — overdag stoke we gein kachel — dan ben je toch in de beweging.
Als moeder an de wasch is, brandt het fornuis den heile dag en dat geift genoeg warmte in de kamer. Vindt u niet ?
— Weit-ie ’t? vroeg vrouw Smikkel in Joop’s oor.
— Ja — ’t is beter ook. Brandt het nu weer goed ? Meteen liep hij de keuken in. Vrouw Smikkel liep hem na. Den een of anderen keer komt-ie er toch achter — daarom vond ik beter het hem maar te vertellen, ’t Is een stumper van een jongen in een boel dingen — maar er zit niet veel kwaad bij. Als-ie niet met Smikkel aan eén winkel zou werken — had het hem niets aangegaan.
— ’k Bin niks op me gemak, meneir Ranschoen. Smikkel prissemeirt dat se d’r an de vereiniging fan weite en noufer-trouwt-ie ’t niet dat-ie niks fan d’r lui hourt.
— Wou-ie dan liever eiken dag een pak slaag hebben ?
— Asseblief — niet — moar dat is het 'm niet Haiis allein bang — dat se ’m een hinderloag salie legge. Dat die Douwe nou sou in eins meikompt.
— Och--stelde Joop, die Frits Landers ook niet ver
trouwde, — de vrouw gerust.
— Loa-we noa binne goan! stelde ze voor.
— Wacht — dadelijk. Vindtje ’m niet een aardig jong voor je dochter, vrouw Smikkel!
— Wat nou nog — sou op eins?
162