mopperde Nelis, hoofdschuddend voorstrompelend — sou’n oap — dat sou-ie wel wille .... Met ’n ander s’n maid —met
main maid____As 'k je snor — as ik je snor____Moar — dat
doet sai niet____
In de zaal had hij als altijd direct een grooten aanhang van jongens. Ze mochten hem allen graag omdat hij zelden kregel of woest, maar meest altijd gezellig en vertelzaam was in dronkenschap.
Nico, de jongen die den winkel van Hooglandt was uitge-loopen, gedroeg zich als jongenskommandant en schreeuwde het hardst. Hij rookte voortdurend sigaretten welker rook de andere jongens, voor zoover zij er geen hadden, met genot opsnoven.
— Neilis? vroeg hij, met een knipoogje naar zijn makkers — bin jai nou wel’s dronke geweis?
Nelis schudde het hoofd.
— Nei — jonge — suip moar nouit.
Hij mocht Nico wel. De jongen was altijd bereid een kluitje modder naar een heer zijn hoed te gooien of een emmer met water om te gooien. Hij hield niet van jongens die altijd kijken en nooit iets doen. Hij keek hem peinzend aan en maakte met den mond een beweging als werkte hij een borrel naar binnen.
— Jai bint nog al een pienter jong.
— Mot ’k een hallefe kan hoale — Neil’s?
— Jai bint een gewikst jong----
— Wat mot je nou eigelijk fan me____?
Nelis bukte zich om te fluisteren maar de heele schaar jongens bukte mee.
— Seg jong — als ik — jou nou’s — wat liet doen....
— Dat doe ik niet — antwoordde Nico beslist....
— Ik dacht — four ’n pakkie sigarette....
149