lef het en-ie fermassert den boel dan versuip ik hem een uur loater in de boangracht.
— Waarom juist daar?
— Doar ligt de meiste derrie — doar stikt-ie sebiet in.
De troep marcheerde aan, zwenkte hoeken om, grachten af.
— Weit ein fan jelui woar die aiseren-pout s’n bifak het?
— Goudsbloemdwarsstroat!
— Feruit dan moar!
— Hebben ze al een plan opgemaakt waar we heengaan? vroeg Joop.
— Nei — jai?
— Ik?
Joop deed of-ie peinsde.
— Als het aan mij stond — maakten we direct rechtsomkeert.
— Woar fandoan.
— Omdat we baas Hooglandt achter z’n vodden moeten zitten.
— Bai ’m thuis?
— Nee — op z'n werk — in de Vlinderstraat.
Het werd al stiller langs de grachten. Allemaal hooge, breede huizen door welker luiken geen sprankje licht naar buiten drong. Ze leken als uitgestorven, als rijen van oude doodsche huizen, die daar bewaard en onderhouden werden terwille van het zoeken naar oude schoonheid door Engel-schen en Amerikanen.
Dan naderden ze de werkmansbuurt, de Jordaan.
Het was hier levendiger, menschen liepen door de straten, kroegen stonden open voor den in- en uitgaanden man.
Kees-klare-met-suiker wou er persé een binnen gaan.
— Se poffe main wel, snoefde hij. Maar Jopie Gosaard en Bennie hielden hem ieder bij een arm.
128