en opdringerige vriendschap der jonge mannen die aan haar geparenteerd waren. Immers, liet hij een meisje nooit los of zij moest eerst met haar geheele familie hebben gebroken en vooral, een blijvende herinnering aan zijn liefde bezitten. Zoolang zijn scharrel van het oogenblik nog bij haar ouders aan huis kwam, of zoolang hij niet zeker wist dat zij zijn onbekende familie met een telg zou vermeerderen, hield hij haar aan zich geboeid met zijn voor meisjes onontkoombaren invloed. En eens had hij een meisje bijna dood geranseld omdat ze zoo liefdeloos jegens hem was geweest haar vrucht te doen afdrijven.
Chris liep met Barend-lampeglas, een langen mageren slungel van even twintig jaar. Ze waren heel de staking door voortdurend samen en Barend had zich voor de nachtploeg aangemeld omdat zijn maat meedeed. De jongen was lummelachtig in zijn bewegingen, kon niet dansen en wekte altijd den spotlust der meiden op als hij bij het orgel op straat, met zijn handen in de zakken tegen een stoep hing inplaats van te draaien. Hij volgde Chris, onbewust gehoor gevend aan de natuurwet, die contrasten tegen elkaar doet oploopen. Instinctief voelde hij dat de vriendschap van Chris hem moest kunnen veranderen tot een waardiger mensch, met meer durf, losheid en mannelijke onverschilligheid. Aan de wijze waarop Chris van zijn geld, zijn biertjes en zijn tabak gebruik maakte, dacht hij te bemerken dat die gedachte wederkeerig was en dat zijn makker met opgewektheid de rol van mentor aannam.
Verder waren nog in de ploeg, Frits-de-kaaskop, Henk Garrels, bijgenaamd de-mop, en Jaap-de-jood, die dezen bijnaam aan zijn donker uiterlijk dankte en dit zoo haatte dat hij met iederen Israëliet dien hij op zijn levensweg ontmoette ruzie zocht, tot hij hem had neergeslagen of hij zelf
125