schele-Ko. Nagenoeg de geheele nachtploeg was aanwezig. Piet Derkse en Lauw Kooiker, twee groote, sterke Groningers, mankeerden nooit. Bij slapte in het bedrijf verdienden zij altijd hun broodje als bootwerkers, befaamde sjouwers als zij waren, voor de ploegbazen. Chris Kemper was ook gekomen, Chris de pooier zooals-ie gemeenlijk onder de makkers werd aangeduid. Hij was een klein mannetje, mager en vlug als een hazewind. Niemand mocht hem graag lijden, om zijn galachtig humeur en zijn gierigheid op tabak. Kerel van over de dertig, dankte hij zijn bijnaam aan het feit dat hij, als ware hij nog jonge jongen, geregeld danshuizen bezocht en op den zak teerde der meiden, die hij door kracht van persoonlijken invloed tot zijn wil dwong. Hij was bekend in alle sloppen en stegen in de Jordaan en een vast bezoeker van drie-vierden der kroegen in die buurt. Jonge jongens gingen hem uit den weg, behalve de „bekenden” uit den „krommert” en de Willemstraat. Deze zochten hem dikwijls opzettelijk op en wilden dan soms in geen uren van zijn zijde wijken. Na zoon avond van opgedrongen vriendschap was hij dan in geen weken monter. Soms verzuimde hij zijn werk voor eenige dagen, soms voor een week, maar altijd liep hij dan met donkere schaduwen onder de oogen en een bepleisterd gezicht.
Hij had geluk bij de vrouwen en dat was een der hoofdredenen van de minder gunstige gezindheid onder de jonge mannen. Deze oordeelden dat een man van zijn leeftijd, zijn vrouw en kinderen in regelmaat bij elkaar moest houden en met hen samenwonen en niet, zooals hij het opvatte, overal een kind hebben zitten welks gezichtje hij nooit zag en waarom hij zich nooit bekommerde. De zwangerschap van de meisjes waar hij mee verkeerde of verkeering mee had gehad, was meestal de oorzaak van de plotseling opkomende 124