IX.
DE NACHTPLOEG VAN DEN IJZEREN-POOT.
Hard-hol klonken de voetstappen op de met bevroren sneeuw gedekte klinkers. Het weer was te guur om te drentelen, men stapte stevig aan.
Het vroor hard.
Die een overjas bezat — had hem aan, knoopen alle dicht en kraag nauwsluitend in de hoogte. Enkelen liepen in kort jasje, hadden een dikke das of wat daarop leek om den hals gedraaid. Ze duwden de handen diep tot over de polsen in de broekzakken en trotseerden op zoodanige wijze zoo goed mogelijk de kou.
De mannen hadden tot over twaalf rond de groote kachel gezeten. De nachtploeg ging nooit vroeg uit en men had trouwens op elkaar gewacht. Menigeen had thuis, het oogen-blik van vertrek telkens weer verschoven, telkens weer geweifeld, of hij zou gaan — dan wel de lauwe warmte van het bed zou opzoeken.
Dat zwalken in den nacht, viel niet mee. Ook was het gevaarlijker dan het gewone stakerswerk overdag, men ging zich eerder te buiten aan baldadigheden. En dan de ongewoonte van in bedtijd in de weer te zijn — in kou op straat te loopen en harder werk te verrichten dan menigmaal bij dag.
Toch was de opkomst bevredigend, naar het oordeel van
123