hij doen wat maar gedaan kon worden, wist hij toch zeker dat Smikkels christelijkheid hem een sta-in-den-weg zou zijn, wanneer hij er ernst van zou willen maken. Toestemming tot samenwonen zou hij beslist nooit geven, al zouden op den duur bij Mientje de gevolgen niet achterwege blijven. En — dat Christien ooit in een scheiding zou toestemmen, docht hem eenvoudig belachelijk. Of — het voordeel zou haar grooter moeten toeschijnen dan het nadeel.
Bij Mientje golden heel geen overwegingen. Trots haar plagen en hun schijnbaar lossen omgang, was Joop haar in de laatste weken alles geworden. Ze had zich hem gegeven, in haar ouders woning, zonder drang van zijn zijde, uit verlangen — en uit het begeeren, hem te geven wat de mannen het eerst en het liefst hebben.
Ze voelde zich zijn vrouwtje, zijn meisje, zijn kameraad, zijn alles. Ernst was er nooit tusschen hen, maar toch wist zij, dat hij haar alles vertelde en dat zij meer zijn vertrouwde, zijn makker was, dan Christien in verloving of huwelijk ooit was geweest.
Over de toekomst dacht ze niet, zelfs niet over de allernaaste. Wel begreep ze, dat zij niet altijd zou mogen hopen de gevolgen te ontgaan van haar hevige passie voor hem, maar ze trok er zich geen zorgen van aan. Sinds ze zoo leefde met Joop, voelde ze haar leven minder leeg dan tevoren, kende ze meer echte vreugd en genoot ze meer van het mooie om haar, dat ze tevoren nooit had opgemerkt of gekend. En dan werd aan den winkel waar zij nu werkte over dergelijke dingen het allerminst zwaar gepraktiseerd en gesproken. De meeste meisjes spraken eerlijk en ronduit over haar levensontmoetingen en geen har er nam de gesmade taak van zedepredikster op zich. Veeleer vergoelijkten de meisjes alles, wat in alle andere kringen
117