vreeselijk werd veroordeeld. Zij spraken losweg, zonder verlegenheid of blozen over hulpmiddelen van allerlei aard.
Mientje had geen harer ooit in vertrouwen genomen, maar niettemin was de invloed van die meisjes op haar enorm geweest. Haar toch-al levenslustige en zorgvrije aard was steeds minder kwaad gaan zien in haar verhouding tot Joop. Hun liefde, hun samenzijn beschouwde zij als beider recht. Van haar omdat ze jong was en van hem hield, van hem omdat hij het zoo bedroevend had getroffen in zijn huwelijk met Christien Mensel.
Vrouw Smikkel keek er heel niet van op, dat zij tegelijk kwamen; dat gebeurde wel meer. Ook was ze Joop als hun besten vriend gaan beschouwen sinds hij van Smikkels werken wist en toch zweeg en er hun woning niet om meed.
— 'k Bin blai, dat ’k u sien, meneir Ranschoen.
— Zoo juffrouw, ’k Heb Mientje onderweg opgevischt.
— Gauw as ’n maid, Mien. D’r motte nog borde ge-wassche — maid maid, stoan me niet sou an te goape — de kindere motte nog eite hebbe — en metein in ’t nest. Blaif u nog effe — misschien het-ie ’n boudschap four u....
— Verd.....gaat u naar je man?
— Joa. Se eite! Dat mot ik 'm brenge — elke dag.
Joop schrok even.
— Werkt-ie vannacht?
— Fannacht juist — morgenochtend komt-ie misschien uitsloape.
— Aan den winkel?
— Of-t-ie doar werkt?
— Ja.
— Weit ik niet! Nei — loat ik niet jokke.... hij seit
fan een groot nieuw werk____een reuze-heirehuis in de
Potterstroat....
118