— Wat moest se van die dronken duivel?
— Weet jij het? Ze zei wat tegen hem en toen kon ze
niet meer van hem af komen. Hij verbeeldde zich dat ze van drank had gesproken en toen wou-ie haar een kroeg insleuren____
Mientje gierde het uit.
— Om je dood te lache____om te gille____
— En naderhand ben ik met Douwe op sjouw geweest.
— Jai?----Haar blond haar schudde van pret.
— Nou — we hebben een gezellig uurtje in de kersepit gezeten. Toen heeft-ie me maar en-passant tot zijn vertrouwde gemaakt.
— Jai met je uitgesleipe gesicht....
— Soms niet naar je zin .... ? Je hebt ’t voor ’t zeggen.
— En verder?
— Wat moest er op volgen? Natuurlijk dat-ie je liefheeft, dat-ie je bemint, aanbidt en vereert, zooals men zegt
— Anders niet?
— Is het niet genoeg?
— Soo’n stumper. Dus niets meir?
— En dat-ie mijn bijstand vroeg, om jou beschroomdheid en je vaders onwilligheid te overwinnen.
— Nou — dat kan je niet waigere.
Ze liepen op de Leidsche gracht — en het schemerde.
— Ik zal er maar vast mee beginnen, zei hij. Ze bleven staan en ontmoetten elkaar in een kus.
— Sou je me graag wille kwait sain Joop, fluisterde ze. Wil je nu niets meir van me waite?
— Maar nest — waarom zeg je dat?
— Soo gaat het immers gewoonlijk. Als de manne hun sin hebbe doorgedreive....
Joop keek haar sterk in de oogen en lachte fijn.
115