den zijn. Helen knikte toestemmend, waarop moeder bijvoegde, dat dat er toe bij zou dragen, het meisje beter te leeren kennen.
Annie bracht theeboel binnen en daarom schudde Helen slechts zachtjes het hoofd, in plaats van te antwoorden. Ze mocht het meisje wel, maar zorgde er altijd voor, haar, als dienstbode, geheel buiten het familie-verband en de familie-aangelegenheden te houden.
— Misschien is dat wel het beste argument om haar niét hier te laten wonen, zei ze, toen het meisje de huiskamer verlaten had. Ik acht het nét iets voor Max, verliefd te worden op het eerste het beste fabrieksmeisje, dat hem op een geschikte manier weet in te palmen. Weet U wat, moeder, we spreken er zoo min mogelijk over. Als het meevalt, waar ik erg aan twijfel, dan zouden we woorden voor niets hebben verspild. En, blijkt het dat ik gelijk heb, dan acht ik het heelemaal verspilling, onze conversatie aan zoo’n wezen te wijden.
Hiermee uitte ze tegelijk haar groote teleurstelling, over haar broer en over de richting, welke hij gekozen had. Zijn toetreden tot de Arbeidersbeweging had ze nooit vergeven, wijl ze het een degradatie ten opzichte van de familie, en een persoonlijke krenking voor zich zelf had gevonden. Ook had het haar gehinderd, omdat ze er een bewijs van geestelijke minderwaardigheid van en gebrek aan inzicht bij Max in had gezien. Sinds de berichten uit Italië, over het regeerings-systeem van Mussolini, minder vaag waren geworden, had ze getracht zich zoo goed mogelijk op de hoogte te brengen van het wezen en de oogmerken van het Fascisme. Ze had toen voor zichzelf opgelost, dat zijn doel voornamelijk was, den stroom belagers van de staatskas, die onder het demokratisch-parlementair systeem voortdurend breeder werd, met kracht in te dammen. Dat het Fascisme een eind maakte aan het algemeen, actief en passief, kiesrecht voor de regeeringslichamen, vond ze een groote, in de eerste plaats moreele, overwinning van het gezond verstand op de frase. De uitwerking van het algemeen kiesrecht, in haar land, had haar doen inzien dat deze burgerplicht door geest- en dikwijls geweten-looze grootschreeuwers werd uitgebuit, om onwetende en onverschillige massa’s als vee ter stemming te drijven, ten einde de strebers, van meerendeels onder-middelmatige beschaving en gaven, in de wetgevende en besturende colleges te doen kiezen. Daar vooral de arbeiders zich grif en zonder nadenken voor die praktijken lieten gebruiken, achtte ze het in het belang der gemeenschap, hun het recht tot stemmen te ontzeggen.
Op denzelfden grond zag ze de nationale en internationale organisaties van de arbeiders als gevaren voor de menschheid. Ze beschouwde ze als enorme magneten, die een onweerstaanbare aantrekking hadden voor mislukte individuen, uit alle kringen, die niet uit eigen kracht en met eigen gaven hadden kunnen slagen, in de maatschappij. De politieke
96