Gertrud stond in het achterkamertje, haar ouden rok en bloese aan, de haren verwilderd zwierend om het hoofd. Haar gezicht teekende vermoeienis en uitputting, maar in haar oogen schitterde de blik van het opgejaagd roofdier, dat, hoewel vluchtend voor de overmacht, reeds weer zint op nieuwe listen en felle wraak.
Hij bleef plotseling staan en liet de uitgestoken hand zakken. Moeder Kunath had de deur achter hem dicht gedaan.
— U hoeft niet bang voor me te zijn, zei het meisje schamper. Ik doe niemand kwaad en wat ik wèl doe, gaat niemand aan.
Toen echter zag ze, dat in zijn oogen geen verwijt glansde en dat zijn gezicht mager was geworden en vaal zag van verdriet. Ze begreep dat ze zich tegen hèm niet hoefde te verweren en drong nu het opstandig en aanvallend gevoel, dat in haar tot vijandigheid prikkelde, terug. Het roofdier in haar trok de klauwen in en liet de bovenlip over de dreigende tanden vallen. Ze trad op hem toe, als een half-getemde tijgerkat, die een vreemdsoortige prooi wil besnuffelen.
Deze verandering in haar maakte op Max den indruk dat haar beter gevoel boven kwam. Hij ging zitten, zei zacht haar naam en stak haar opnieuw de hand toe. Toen, schoof ze ook een stoel naar de tafel, greep zijn hand, zoende die en liet toen haar hoofd in de armen zakken.
Ze huilde nu, fel en aanhoudend en haar tranen waren niet geheel huichel en komedie. Ze huilde om haar nieuwste teleurstelling. Nu immers, was alles weer precies even dood en gewoon, als altijd. Het „hoogere leven”, dat ze een week lang genoten had, was haar al wéér voorbij gegaan, zonder haar iets blijvends te schenken. Net als bij haar vroegere uitstapjes had ze ook dezen keer gedacht, het volle vergeten te vinden en het volle geluk te ontvangen en nu, er na, nèt als vroeger, was ze weer Gertrud Kunath, de dochter van den metaalbewerker. Ze huilde van spijt dat ze was gegaan, maar nog meer van berouw, dat ze met haar vader terug was gekomen. Twee dagen geleden werd ze nog gevierd en verwend door toevallige vrienden en nu was ze weer zoo arm als ooit, werd ze beschimpt door moeder en zou ze misschien nog als een kind beknord worden door dien „vreemdeling”, Branders.
— Zal ik maar weer weggaan, Gertrud? vroeg hij, ontroerd. Ik wou je niets onvriendelijks zeggen, maar je hebt misschien liever dat ik heele-maal niets zeg. Rust vandaag eens uit en dan kom ik morgen of overmorgen met je praten, als je het goed vindt.
Die kus op zijn hand had niet slechts zijn volle vergiffenis naar boven gedreven en zijn genegenheid voor haar tot op het hoogtepunt gevoerd, maar hem ook doen gelooven dat ze innig berouw voelde, uit liefde voor hem. Een meisje dat zich zóó kon geven, dacht hij, kón niet slecht zijn, doch moest een groot vermogen tot liefhebben bezitten èn een hevig verlangen naar liefde van anderen.
90