Den dag daarna, in de koffieklok, belde Kunath Max, in zijn hotel, op. Hoewel deze hem eenige keeren had aangeboden mee te gaan, Gertrud te zoeken, had de metaalbewerker dat telkens afgeslagen. Hij kende zijn dochter genoeg om te begrijpen, in wat voor toestand ze kon zijn, als hij haar vond en dat hoefde Branders niet te zien.
— Ze is nu dus thuis? vroeg Max, zenuwachtig.
— Ja. En ze komt geen deur uit, voor dat U haar gesproken hebt.
— Goed, ik kom.
In die weinige dagen had Max méér doorstaan, dan in heel zijn vooraf gegaan leven. Landauer had nog twee dagen geleefd en daarvan hadden Coen en hij meerdere uren aan zijn bed gestaan. Eiken keer dat Max naar den onherkenbaar verbonden man zag, meende hij in een spiegel zijn eigen toekomstig lot te zien. Coen was den zenuwschok, die hem bij Landauers val had aangetast, spoedig weer te boven gekomen en wendde al zijn overredingsvermogen aan om Max te bewegen, naar Amsterdam terug te keeren, zonder vooraf Gertrud te zien. Zelfs Mary, de altijd zoo gelijkmoedige, moederlijke Mary, smeekte hem, met tranen in de oogen, aan Landauers ellendig lot een voorbeeld te nemen en zich te onttrekken aan den greep der verwording, die hem in Gertruds handen dreigde. Na Carls begrafenis had Coen hem nog eens voor de laatste maal gezegd, hoe hij over Gertrud dacht. Als hij, Max, er op bleef staan haar te zoeken en eventueel met haar in Berlijn ging w'onen, zou hij nooit weer de moeite hoeven te doen, hem en Mary op te zoeken. Dan wilden ze hem niet meer kennen.
Max had instemmend geknikt, bij wijze van belofte. Innerlijk was hij echter bij het voornemen gebleven, het meisje te zoeken en te trachten haar van den ondergang te redden. In het ontzettend einde van Olga zag hij echter een waarschuwing, zijn eerste plan niet door te zetten. Als Gertrud terug kwam en ze wilde het, al hield ze dan niet zoo veel van hem als hij van haar, dan zouden ze trouwen en naar Amsterdam gaan. Daar, in die nuchtere, kalme stad, die hem nu in alle opzichten, bij Berlijn vergeleken, een dorp toescheen, zouden de kiemen der verwording, die het meisje hadden aangegrepen, gemakkelijk wegsterven en zou ze weer een gezond en vroolijk jong ding worden. Hij had Bouwer dan ook geschreven dat hij zich spoedig in de Rembrandt-straat zou komen verantwoorden en dat hij hoopte dat het Verbond hem in zijn dienst zou behouden.
Toen hij de kolonie naderde, schemerde hem een beeld van Gertrud voor zijn brein, zooals zij hem daar nu wachtte. Bedroefd en verslagen zou ze zijn, dacht hij en hem van schaamte niet durven aanzien. Als ze eindelijk een woord zou uiten, zou dat een bede om vergiffenis en een betuiging van berouw zijn. En dan zou hij haar de hand toesteken en haar diep in de oogen blikken . . .
89