opgewonden zijn, nu ze verdwenen was, als men niet wist dat zij alles was.
Het klokgelui zweeg . . . een schot donderde; wéér een. Daar, daar, dat was voor haar, om haar te roepen öf te huldigen: GER TRUD! donderden de kanonnen duidelijk.
Leden van het Verbond, in de straat, keken wantrouwend naar boven, begrepen niet waarom iemand zoo stil in de dakgoot stond. Er was alge-meene staking afgekondigd en trouwens zag hij er niet als werkman uit. Een afdeelingsbestuurder herkende hem, riep hem bij den naam, gebood hem omlaag te komen. Maar hij staarde voor zich heen, in de ruimte zonder horizon, zag in bliksemfilm zijn leven gedurende de laatste jaren voorbijtrekken. Zijn vluchtig idealisme, snelle carrière in de Partij en het Verbond, zijn kennismaking met Gertrud, haar verraad, zijn reis met haar naar Holland. Dan zijn verblijf met haar in moeders huis, haar ruzie met Helen, haar nachtelijk uitstapje. . . . Zijn kennismaking met Bouwer, met al de hoogen, in de Partij en het Verbond, zijn medewerking aan de weidsche plannen van den leider.... zijn huwelijk, tientallen spreekbeurten. . . .
Snel groeide het volk in de straat aan; vele mannen drongen het Gebouw binnen, wilden zekerheid hebben aangaande zijn vreemd gedrag. Tièntallen volgden de eersten, het Gebouw vervullend van het stampen hunner schoenen, het roepen van hun stemmen. En de massa, in de straat, den kreet handhavend die dien dag overheerschte, joelde den naam uit, die het volk dien dag tot leus en religie was geworden:
— BOUWER!
Visionnair hoorde hij hem, doch verstond: Gertrud! Natuurlijk kreten ze om haar, want zij was de Wereld en zweefde nu tusschen de goot, waar ze ongetwijfeld was uitgesprongen, evenals Olga uit het venster, en de aarde. Maar, wat ze niet wisten was, dat hij haar zou opvangen vóór ze hen bereikt had.... Nee, in hun zolderkamer was ze niet, en toen hij haar in de huiskamer van Tante Jans zocht, ranselde deze hem af, met behulp van proletariërs. ... En toen kon hij haar niet terugvinden, want zijn oogen waren verblind....
Onstuimig drongen de mannen elkaar voort, den zolder op en hun rumoer vervaagde in het overweldigend gedruisch, dat nu alom de lucht vervulde, de tegenstrijdige radio-berichten aangaande den stand van de revolutie, de vele zelfmoorden van partijleiders, den dringenden roep om den leider, om Bouwer. Maar, door alles heen scheurde plotseling de kreet van vertwijfeling, geuit door mannen die den zolder bereikt hadden en Bouwer vonden.
— BOUWER!
Dan, een onmenscht gillen, hollen, over elkaar struikelen, opspringen en voortrennen naar het dakvenster .
432