Een oorverdoovend gerommel: salvo van het eskader op ’t IJ.
Nu was zijn oogenblik gekomen; in dat ontzettend rumoer zag hij haar. Ze wenkte hem.
— GERTRUD!
Dit was zijn laatste gil en tegelijk zijn overtuigendste; hij stortte omlaag. En, tijdens zijn val drong zich onweerstaanbaar het weten aan hem op, waarom hij haar meegenomen had naar Holland. Zij was noodig geweest, evenals Bouwer, om de wereld te redden en haar het geluk te schenken; zijzelve was immers de Wereld èn het Geluk en wat al niet? Nu moest hij haar nog even gauw redden en dan was het groote werk geschied.
Een oogenblik, nèt vóór de verdooving intrad, die hem ongevoelig maakte voor de verpletterende aanraking met de straat, doordrong hem de nooitgekende voldoening, dat hij, door haar te redden, de roeping vervulde van Bouwer en diens werk volmaakte. Hij, hij alleen, inplaats van Bouwer, die zeker nog even lui als daarstraks in die bloedplas lag te kreunen.
Berlin—Amsterdam 1926—'30.