— Bouwer! riep hij terug.
... GEDURENDE DE AFWEZIGHEID VAN BOUWER ...
verstond hij nu weer. Maar, Bouwer was niet afwezig, die lag ginds in een hoek, hield zich of hij niets hoorde.
Van verderweg en uit dwarsstraten kwamen nog meer menschen aan-loopen en -hollen, hoopten tezamen voor het Gebouw en wezen naar hem. Ze schenen hem toe te roepen, hun Bouwer terug te geven, hun leider, dien hij op zolder had weggemoffeld. Maar, dat had hij niét gedaan, hij had niet eens geweten dat Bouwer in die plas bloed gekropen was. Hij was in het Gebouw gekomen om Gertrud te zoeken.
Gertrud! Hoe kon hij haar vergeten?
Een klok begon te luiden, bim-bam Ger-trud . . Ger-trud.
Gertrud!
GERTRUD! gilde hij opeens, in ontzetting.
Hij zag haar weer, in Regina, in Berlijn, hoorde zich over haar babbelen, met Coen en Mary. Nee, nee, had hij toen gezegd, hij gaf niets om haar, bemoeide zich uit zuivere menschenliefde met haar, maar dat was gelogen.
De menschenmenigte in de straat groeide nog steeds aan en haar rumoer scheen de gansche ruimte tot aan het hemelgewelf te willen vullen .Bouwer! Bouwer! scheen ieder van hen apart en allen tezamen te gillen en te joelen; maar dat kwam, omdat ze nergens van wisten. Bouwer lag rustig op zijn gemak in dien hoek te kreunen en zij dachten dat hij er vandoor was. Dat kwam, doordat ze hem verwisselden met Gertrud.
GERTRUD! gilde hij, als antwoord op het gejoel der menigte.
En nu was het hem opeens, als stond hij weer, met Coen, in Landauers werkkamer; een gil, en nu stoven ze naar zijn slaapkamer. Daar, daar rukte Olga zich uit Landauers handen, gooide het venster los en stortte in de diepte, in het duister van de binnenplaats. . . . En, Landauer sprong haar na, natuurlijk om haar te redden, om te zorgen dat ze zacht neerkwam . .
Olga, begreep hij nu ineens, was Gertrud, evengoed als Bouwer Gertrud was. En Gertrud zelve was ?
Ja, iedereen had zich jegens hem beijverd, uit te leggen en te verklaren wié en wat Gertrud eigenlijk was; Coen, Brünsweich in Mün-chen, haar eigen ouders, zijn moeder, Helen, Suze van Seventer, letterlijk iedereen, tot Bouwer toe. En niemand had het geweten of wist het nu zelfs, alleen hij. Gertrud was Berlijn, was Europa, was de Wereld, was in één woord, Alles. Nee, niemand begreep dat, buiten hem, maar eigenlijk wist toch iedereen het; want waarom zou anders iedereeen zoo
43i