— Ga heen, schiet op! kreet Gertrud. Je hebt toch maar de pest aan me, nèt als allemaal, jullie haat me allemaal. . . . allemaal. . . .
— Wat zullen we nou eten? mompelde Suze, verwonderd. Jij hebt nogal veel redenen, je te beklagen, je bent d’r het beste aan toe van de heele santekraam. Kind, als je eens wist hoe er door anderen geploeterd wordt voor een hap eten, waar jij maar den mond voor hebt open te doen. .
— Duvel op. laat me met rust! schreeuwde Gertrud.
Weer alleen, trachtte ze haar gedachten te ordenen. Met Kaufmann was er iets verschrikkelijks gebeurd, dat stond vast en dat was haar schuld. Eigenlijk ging haar dat wel niet aan, want ze gaf geen sikkepit om hem, maar als Willem het gewaar werd en eens doordacht, werd het anders. En hij had juist ook een gebaar van pijn gemaakt; hij antwoordde niet, toen ze hem ernaar vroeg, maar aan zijn gezicht had ze gemerkt dat het niet in orde met hem was. Hij óók dus? Als Willem ook eens naar het ziekenhuis moest ? Maar, dat was onzin, ze zag spoken, zoover was en kwam het niet met hem. Als ze hem maar waarschuwde dat hij zich moest laten onderzoeken. Maar, dat kon ze niet, of ze moest het op heel bedekte wijze doen en dan begreep hij haar wellicht toch niet. Want, voor dat hij zoo groot en zoo flink was, wist hij toch van veel dingen totaal niets af. Eigenlijk moest zij hem door een dokter laten onderzoeken, zonder dat hij wist waar het om ging. En, hoé kon ze dat? Ze kende niet één dokter en had ook geen vrienden die er wel kennis aan hadden.
Vrienden? Er viel haar een naam in: Boersma. Ja, hij was zeker heel geleerd, dat Bouwer hem kunstredacteur had gemaakt en zou zeker ook wel dokters onder zijn vrienden hebben. Maar, het liefst van alles zou ze Willem niet meer onder de oogen komen, vóór ze heel zeker wist, dat hem geen gevaar dreigde. Of, althans, hij niet dacht dat het door haar kwam. Wié weet wat hij zou zeggen, of doen zelfs, want hij was zoo sterk en kon soms geducht opgewonden zijn.
Ze liet zich door de centrale van het gebouw verbinden met Boers-ma’s woning, doch vernam vandaar dat hij op de redactie was. Toen schakelde ze zelf een der eigen lijnen naar het Nieuwe Gebouw in.
Haar stem klonk Fred Boersma in het oor, als een signaal, een oproep tot genot en avontuur. Het jagen naar minneavonturen had zijn leven gevuld, sedert hij zich, als burgerlijk dagblad-correspondent, vrijgemaakt had van zijn conservatieve familie en stug-protestantsche vrouw, gedurende hij, beurtelings als socialist en communist van verschillende schakeeringen, zijn onderhoud had verdiend met het schrijven óver, vóór en tegen onderscheidene idealismen. Oorspronkelijk uit nieuwsgierigheid naar het nieuwe tot Bouwer en zijn nieuw dagblad gekomen, had zijn eerste ontmoeting met Gertrud hem onmiddellijk overtuigd,
4i7
27