den vroegen ochtend reeds ontvingen leiders en vertrouwensmannen van alle partijen telegrafisch opdrachten tot het houden van spoed-conferenties. En alle politieke fractie-leiders geboden, op straffe van partij-ongenade, de volledige opkomst van alle kamerleden, geleid door het voorgevoel dat de regeering nu dra tot het nemen van de zoozeer begeerde, bizondere, maatregelen tegen de leiders van het revolteerend Verbond zou besluiten.
De grootsche gebeurtenis van dien middag echter, de begrafenis van Giel Berends, schiep een stille doch machtige demonstratie, vóór Bouwer èn tegen de partijen-concentratie. Deels als gevolg van den oproep in het Dagblad, deels uit innerlijke opwelling waren duizenden werklieden, waarvan de meesten nooit een regel van den dichter gelezen hadden, tijdig uit hun werk getrokken, om hem naar zijn laatste rustplaats te geleiden. In het middaguur liepen kantoor- en bankgebouwen grootendeels leeg en honderden kunstenaars, die zich nooit om politiek hadden bekommerd, doch tot nog toe hun leven voornamelijk gevuld met het onderling verdedigen en bestrijden van artistieke richtingen, verlieten nu hun etages, ateliers, noodwoningen en zolderkamers, om in roerende eenheid de kist van Giel Berends te volgen. De haag, bijna ononderbroken gevormd vanaf het sterfhuis tot de begraafplaats, in de verre buitenwijk, deed aan als een schier eindelooze, levende eerepoort: een machtige, ontroerende hulde aan den eenigen werkelijk-proletari-schen kunstenaar, die geleden en ontbeerd had, omdat zijn „klasse” inderdaad géén behoefte voelde aan ware kunstenaars en onzelfzuchtige zieners. En, hoewel niemand het zei, er met geen woord op gezinspeeld werd, voelden velen onder de duizenden, die zich gaandeweg achter de kunstenaars voegden, dat den, vrijwel onbekenden, dichter, deze grootsche hulde niet zou zijn geworden, als er niet een nieuwe geest in het volk was ontwaakt, dat een nieuw en grootsch symbool behoefde.
De woordelijke uiting van dat symbool gaf Helen Branders, als eenigste onder Berends vrienden die aan het graf eenige zinnen sprak.
— Het lijden en de ontijdige dood van een genie als onze dichter Giel Berends, zei ze, met trillende doch goed verstaanbare stem, moet, het is vreeselijk dat ik me gedrongen voel dit te uiten, als een vanzelfsprekend verschijnsel worden beschouwd, in een klein, milliarden-rijk land als het onze, waar de ware kunstenaar en denker, die zich niet slaafs onderwerpen wil aan eenig sectarisch dogma, daarom als vogelvrij wordt beschouwd en behandeld.
— Hoe gaat ’t met je broer? vroeg Bouwer, toen hij afscheid van haar nam.
Ze haalde, hoofdschuddend de schouders op.
— Met z’n oogen schijnt het wel vooruit te gaan, maar er moet hem
412