zakte bijna volkomen weg. Hij begon zich onbehagelijk, onzeker te voelen. Had die vent nu maar wél iets voor Carla gevoeld, drong zich opeens aan hem op, of desnoods voor Elly. Deze werd toch al met de week onkiescher, als ze over die eeuwige marterbont zanikte; ze scheen te denken dat hij marters maakte, of ving of wat dan ook. Maar, die geldkoers was het ergste, of de koers eigenlijk nog niet, maar de kans dat Bouwer zich ermee bemoeien ging, als hij zich door een of andere gewelddaad van de regeering meester had gemaakt.
Nou, hoé staat ’t ermee? vroeg de leider, ongeduldig wordend. U kwam toch zeker hier, om over een ministersbaantje te onderhandelen.
— Nee, jongen, antwoordde de Dikke, tot eigen verbazing ietwat berustend. Ik ben tevreden met m’n wethoudersbaantje, dat levert me genoeg op. Jou kan ik dat wel zeggen, want jij denkt er toch altijd eerder méér dan minder van.
— Nou, nou, die brand van het Kristallen Paleis heeft je toch zeker wel een slordige vijf ton opgebracht, zou ik zeggen, merkte Bouwer spottend aan. Vóór de brand stonden de aandeelen op acht procent en je hebt ze door de Gemeente laten koopen voor honderd en vijftien procent; tenminste, die ruïne, met het recht, voor gemeentekosten den rommel te laten opruimen.
— Geen vijf ton, kreunde Breebaert, een millioen, vier honderd duizend. Maar wat geeft dat allemaal. . . . ? Wat is je voornemen? Een heffing ineens, confiscatie, honderd procent successie-belasting, nationalisatie der vermogens? Zeg tenminste iéts?
— Ik denk dat ik maar begin ’n flater te slaan, met den hoofdinhoud van die overeenkomst te publiceeren, meesmuilde de leider.
De Dikke keek hem aan, schudde glimlachend het hoofd en schudde nog een sigaar, uit zijn koker, op tafel.
— Men kan met jou geen verstandig woord praten; rook die straks maar op. Een flater sla je zeker, want vanavond teeken ik de voorloopige overeenkomst en laat haar morgen door Sauerman afdrukken. Och jongen, je zult natuurlijk wel met je kop tegen den muur loopen en dat gun ik je van ganscher harte, maar als je eens je verstand liet gaan en bedacht hoe hard het voor een ouder is, voor z’n kinderen te werken en dan zoo’n nationalisatie-idioot d’r op af zien stuiven. Je kent Elly Bogaerts immers, och dat bedoel ik niet, nee, nee... drijf jij je woesten kop maar door, help het plebs er maar boven op. . .
— ’t Plebs? En Uw sociaal-demokratisch ideaal dan?
— Nou zie je wat d’r van komt, als men zoo’n onzin praat! viel Breebaert wrevelig uit. Voor ’t eerst sinds ’n jaar of vijf en twintig heb ik vergeten over het ideaal te praten en dat komt alleen door jouw door-drijverij. Nu, je zult er geen plezier van hebben.
— Als ik al die flauwe onzin-gesprekken bij elkaar voeg, bromde
404