gedachte hem. Gertrud na Kaufmann en Mea na Van Berghem. Als hij weer eens afruilde, mocht hij wel iets versch hebben, besloot hij, maar voelde dan een steek van angst. Afruilen beteekende immers, als hij Gertrud kwijtraakte; maar, mocht hij haar wel kwijtraken, kon hij haar wel missen? Een oogenblik waarde vrees in zijn oogen. Breebaert merkte dat op, begreep er de oorzaak niet van, doch voelde zich er sterker door. Die geweldenaar was dus toch bang te maken. Maar, door wat en wièn? Ze hadden het nog over niets dan vrouwen gehad.
— Als ik jou ’n freule presenteer, is ze géén afdankertje, zegde hij gul toe, intusschen innerlijk nog steeds bezig gehouden door dat korte moment van vrees, bij Bouwer. Maar, om op de kwestie neer te komen waar ik voor hier ben, je weet waarschijnlijk nog niet dat het vechten is tegen de bierkaai.
— Tot nog toe leek ’t er tenminste nog niets op, lachte de leider.
— Lees dit kopietje eens.
Hij nam een document uit zijn portefeuille en reikte het Bouwer over. Deze las het concept van een overeenkomst, te sluiten tusschen de Partij en drie groote burgerlijke partijen. Het behelsde voorwaarden tot het voeren van een gemeenschappelijken verkiezingsstrijd, tegen het Verbond en bindende bepalingen, voor het later vormen van een regeering.
— Sensationeele stof voor een hoofdartikel in m’n nieuwe krant, zei hij, het papier teruggevend.
— Niemand zou je gelooven, reageerde de Dikke, schouderophalend. En mogelijk, zelfs, zou het Partijblad denzelfden dag het origineel publiceeren. Nee, nee, verdenk me nou niet van waaghalzerij, daar doe ik niet aan. Maar, geloof je nu nog niet dat het hoog tijd is, in te binden? Wat doe je tegen gegarandeerd tachtig procent van de kiezers?
— Wat doe je er méé? liet hij zich ontvallen.
De wethouder schokte een oogenblik met het hoofd; een sprank van vlug begrip joeg door zijn brein. Bouwer was geen pochhans, dat wist hij. Nu hij dus zoo zeker de macht van tachtig procent van de kiezers negeerde, kon het evengoed zijn, dat z’n heele grootsche verkiezingscampagne maar dekor was, oogverblinding voor anderen. En daar was hij ook bijna ingevlogen. Het Partijblad had Bouwer vaak met Musso-lini, zoo goed als met Nero, Catharine, Messalina, Napoleon, Attilla en andere examen-opgaven vergeleken en dat had hij altijd geaccepteerd als noodzakelijke dagblad-schelderij. Maar als het kiezerstal dien lawaai-baas onverschillig liet, dan moest hij ook wel maling hebben aan een verkiezingsuitslag. En dat kon alleen... als hij een andere methode achter hield, om aan het bewind te komen. Dié methode kon dan slechts geweld zijn, met niet te berekenen gevolgen voor den geldkoers.
Breebaerts vriendschappelijk gevoel van bescherming, voor Bouwer,
403