tieleider verbaasd de oogen open. Ik heb nooit anders begrepen, dan dat ons doel de regeermacht is.
Bouwer schudde zachtjes het hoofd en nu zei Averling achtereen alle zinnen op, die hij onthouden had uit hoofdartikelen in het Dagblad, redevoeringen van propagandisten als Kaufmann en verslagen van Gemeenteraads- en Kamerzittingen. Meer beleefd dan geestdriftig verkondigde hij allerlei stellingen uit Marx’ Das Kapital, dat hij als boek nooit in handen had gehad, en welke uittreksels hij nooit goed begrepen had. Het verbaasde hem steeds méér, dat Bouwer volhield, het hoofd te schudden; alle Partijgenooten knikten gewoonlijk instemmend en erkentelijk het hoofd, als hij dergelijke citaten opzei. Om aan het woord te blijven, begon hij er nu bij den leider op aan te dringen, zijn aparte plannen op te geven en zich met het geheele Partijbestuur te verzoenen. Opnieuw stelde hij Bouwer een ministerszetel in het vooruitzicht, in geval de Partij de Verkiezingen zou winnen en het uitspinnen van zijn wijdloopige, correcte, zinnen kostte hem nu zooveel moeite, dat zijn afstaande ooren nerveus bewogen. Toen was het Bouwer net, of de fractieleider met die lange ooren dacht en sprak. Plots maakte deze een resoluut handgebaar en zweeg toen seconden, de opengesperde oogen op den ander gericht.
Dus néé, néé? vroeg hij dan, teleurgesteld. Nu, wat dan?
— Dan. . . niéts!
— Begrijp me goed. Ik bedoel. . als ik dan toch tot de overtuiging
kom, dat we dat het Proletariaat het best gediend is met Uw leiding
— Nee, Averling! bulderde de Verbondsleider nu, je bedoeling is, ronduit gezegd . . . wat ik je betaal, als je overstapt. Of niét, soms? Man, kom d’r dan toch voor uit en jaag mij niet op stang, met je uitzuigen en uitbuiten, of hoé noem je dat ook weer?
— En, indien ik nu eens werkelijk bedoelde, begon de fractie-leider, op zijn teemerigen, klankloozen toon, die in de Partij geprezen werd als de ware uitingswijze van een aanstaand regeeringsman, te informeeren of U genegen zijt mijn medewerking te aanvaarden, als de omstandigheden ertoe mochten leiden, dat U het vormen van een ministerie wordt opgedragen?
Hoewel op deze, vrijwel rechtstreeksche, vraag reeds lang voorbereid, staarde Bouwer zijn bezoeker nu toch verbluft aan. Hij vond den man zóó onbelangrijk, ja belachelijk, dat hij niet wist, of hij het moest uitbulderen, óf hem het kantoor uitschoppen. Averlings ooren bewogen zich nu zoo zenuwachtig, dat het leek, of hij, door het vertoonen van lachwekkende grimassen, zijn tegenstander tot inschikkelijkheid wou verteederen.
— Kerel, hou die zenuwe-ooren van je toch ’n beetje in bedwang,
400