ging was, ontbrak hem de ingeving van een rap antwoord op dat grotesk gezegde.
— Wij proletariërs, herhaalde hij, bij zichzelf. Dat zegt die correcte politieke hansworst woordelijk.
Voor zijn geest verscheen weer de armelijke zolderkamer, waar de proletarische kunstenaar Berends lag te sterven. Niemand in de groote proletarische partij, géén van haar potsierlijk-doende, goed-gesitueerde leiders, als Averling, echter, scheen zich daarvan bewust, of zelfs maar er van op de hoogte te zijn. En déze man van onder-middelmatige gaven, in eigen milieu mislukt, doch tot politiek leider van de Partij benoemd wegens algeheel gemis aan frisch, vooruitstuwend temperament, sprak van „wij proletariërs”. Van de arbeidersbeweging wist hij niet méér af, dan hetgeen hij in bladen en tijdschriften er over gelezen had; in het parlement kleurde en stamelde hij als een op af kijken betrapt schoolmeisje, telkens wanneer een minister hem uitnoodigde, zijn voor de kiezersmassa uitgebralde holle, demagogische zinnen te herhalen en op logische gronden te verklaren. En toch haakte hij er naar, minister, ja minister-president te worden, zoogenaamd in naam van het proletariaat, hoewel hij als eenige kans daarop slechts den weg zag van te intri-geeren met allerlei behoudzuchtige vak-politici.
Wij proletariërs!
Ginds, aan zijn tafel, zat de renegaat uit de arbeidersklasse, Boutelje, die voor een handvol rijksdaalders zijn Partij belachelijk maakte, in èlk blad, dat hem toestond zijn wartaal over mooie boomen te schrijven. En bij hem zat een freule, renegate uit haar klasse, die aan de verkie-zings-invloed der arbeiders haar weelderig-betaalde sinecure te danken had en, om deze te verkrijgen, getrouwd was met een, voor haar, walgelijk individu, dat ze verachten moest, zoo ze nog een greintje burgerlijk fatsoen bezat. Die dame, lid van de Arbeiderspartij en echtge-noote van een door deze afgevaardigd kamerlid, was het, die den treuri-gen moed had durven demonstreeren, den kunstenaar een noodwendig subsidie te weigeren, omdat hij timmerman was.
Wij proletariërs!
Bouwer grijnsde. Een oogenblik geleden nog had hij een vermogend burger, mede-proletariër van Averling, mèt zijn gedegenereerd vriendje, tegen het verontwaardigd publiek moeten beschermen. Die man, die niet in staat was geweest het studie-doel te bereiken dat elk van zijn klassegenooten spelenderwijs, als vanzelfsprekend, behaalt, werd door de arbeiders, die talenten als Berends ellendig lieten omkomen, als hoofdredacteur van hun dagblad geduld.
De leider haalde beklemd adem. Was hijzelf wel vrij gebleven van de verwording, die als een giftige nevel door de Beweging in al haar vertakkingen joeg? Was hij momenteel niet vriend van Kaufmann,
396