De beeldhouwer keek minachtend op Van der Voorde neer, daar deze, uit angst voor nieuwe klappen, niet dorst op te staan.
Bouwer trok hem met een ruk overeind.
— Smeer ’m, zei hij tegen Sauerman. Maak als de maan dat je met dit prachtexemplaar de straat op komt.
Sauerman stak hem, nog steeds grienend, de hand toe, doch vervuld van een gevoel van afkeer, deed de leider of hij dat niet bemerkte.
D’r uit nou, herhaalde hij. Maak nou beenen.
— Ze willen hèm niet door laten, zei de ander, met een bezorgd gebaar op Van der Voorde.
Bouwer blikte om zich heen. De beeldhouwer knipoogde tegen hem.
— Het publiek wil niets liever dan dat ze meteen ophoepelen, zei hij. Hiér is geen plaats voor hen. Kom straks een glas bier bij ons drinken, Bouwer.
— Als al de heeren om hem heen blijven staan, durft hij zéker geen voetje te verzetten, schertste de leider.
Vroolijke opmerkingen gingen van mond tot mond. Als op consigne maakten de gasten ruimte; de meesten drentelden naar hun plaats terug.
— Waar bemoei jij je eigenlijk mee? vroeg Van Dijlen, die, toen Van der Voorde den eersten kaakslag kreeg, zich trotsch had opgericht, alsof hij de bestraffer was. ’t Is een literaire kwestie tusschen mij en hem. Niemand hoeft hem meer een hand aan te raken; ik ben best in staat voor mezelf op te komen. Nou jij, wendde hij zich tot Van der Voorde. Waarom heb je je vriend Had-je-me-maar in den steek gelaten, toen hij naar Veenhuizen ging? Ten eerste had je daar zijn politieke opvoeding kunnen voltooien en ten tweede hadden ze jou daar geestelijk kunnen ontluizen.
Brullend gelach steeg op. De beeldhouwer sloeg Van Dijlen verrukt op beide schouders en sleurde hem mee naar zijn tafel.
— Aannemen! schalde hij. En nu laat ik je niet gaan, vóór je je bast vol hebt, Dijl. Jou noemen ze gek, maar als ik je goed aankijk, dan kom ik tot de overtuiging dat we normalen en wijzen te véél hebben. Je moet je nou eens zoo vol vreten, dat je genoeg hebt tot je volgende huldiging.
Bouwer gaf Van der Voorde een duw, waardoor hij vooruit stoof. Sauerman volgde hem en Bouwer liep een paar passen achter hem aan. In het midden der zaal kwam Averling hem tegemoet.
— Dat heb je goed gedaan, zei deze, dankbaar. Wij proletariërs moeten elkaar altijd bijstaan, wélke onderlinge verschillen ons ook mogen verdeelen.
Bouwer keek ironisch in het, als altijd correct-beleefd, gelaat van den fractie-leider. Doch, hoewel hij een der snedigste sprekers in de Bewe-
395