veel omhaal van woorden een grap, die een club kunstenaars met den gekken dichter zou hebben uitgehaald. Daar dit echter al twintig jaar geleden gebeurd was en bijna iedereen er even veel van wist als hij, had hij er weinig succes van.
Dolly gaapte vlak in zijn gezicht, om hem tot zwijgen te inspireeren, doch werd één en al belangstelling, toen plots rumoer in de zaal oplaaide. Ze wipte op tafel ,om een onbelemmerd uitzicht te hebben.
— Ik geloof warempeltje dat hij het tegen Kobus heeft, zei ze lachend.
Maar dan, ziende dat de gasten zich om Sauerman en hem verdrongen, werd ze onrustig.
Henry, ik geloof dat ze Kobus willen slaan. Barend, kijk eens of je hem helpen kan!
— Mijn ’n zorg, al slaan ze hem blind, mopperde Boutelje. Ik maak mijn handen niet vuil, voor hem. Waarom komt ie ook hiér?
Averling deed een stap naar voren, doch schudde dan correct het hoofd.
— Sauerman moest maar met hem het café verlaten, oordeelde hij. Tegen zóó velen, helpt geen overmoed.
— Hij moét zich heelemaal niet met die kwal in ’t publiek vertoo-nen! riep Boutelje, boos. Hebben we niet al narigheid genoeg gehad, met dien Benkuur, van hem?
Een kreet van angst scheurde door de zaal en meteen rende Dolly weg. Van der Voorde had Van Dijlen, die hem nu vlak in het gezicht schreeuwde, zachtjes van zich af geduwd, doch dadelijk daarop een hevigen kaakslag gekregen. Dat deed de stoere beeldhouwer, die nog een kleine grief tegen Van der Voorde had. Deze had, namelijk, kort geleden, een hatelijke, vernederende critiek op zijn werk geschreven, in het partijblad, hoewel hij de tentoonstelling niet eens bezocht had. De beleedigde kunstenaar vertelde dit met eenige woorden aan de omstanders en voegde er aan toe, dat hij overtuigd fatalist was. Blijkbaar was het voorbeschikt, dat hij Van der Voorde dien avond in het café zou afranselen. Om nadruk aan zijn woorden te geven diende hij den onderredacteur nog een klap toe, welke dezen met een schreeuw op den vloer deed tuimelen .
— Dat is het Noodlot, zei de beeldhouwer, zonder aanstellerij.
— Goed zoo, er uit met dien viezerik, klonk het nog luider dan eerst.
— Ja, dat is ’t noodlot, viezerik, kefte Van Dijlen.
Bouwer kwam bij den eersten klap reeds op het standje af. Een hem bijgebleven eigenschap uit zijn jongensjaren noopte hem nog steeds, zich met elke vechtpartij, die in zijn tegenwoordigheid plaats vond, te bemoeien. Hij werkte zich met zijn breede schouders tusschen de gasten door en slaagde er in Sauerman te bereiken, die als een kind zat te huilen.
394