— Een verstandig mensch zou zeggen dat het één zonder het ander onbestaanbaar is. Luister naar hem, dan twijfel je niet meer.
— Ja, de heele oude wereld heeft afgedaan en de oude literatuur moet er nu ook maar aan gelooven! klaterde de dichter. Weg met die binnenkamer-literatuur van die mummelende schoolmeesters en predikanten, weg met dat gesammel over een salonnetje, een jongetje met een oud-mannetjeskop en een van verlangen kwebbelend zieltje.
— Tegen wien heeft hij het? vroeg Elly, geamuseerd. Niemand spreekt hem immers tegen.
— Dat zou ook in niemands hoofd opkomen, antwoordde Kaufmann, met een drukje tegen haar knie. Hij schreeuwt altijd, tegen allen tegelijk en tegen niemand, bij wijze van hard-op denken. Maar, heb niet het hart, hem bij vergissing naar zijn „richting” te vragen.
— Wié is dat, die beweert dat ik geen richting heb? klaterde Van Dijlen, die dat woord opgevangen had, nog luider dan tevoren. Inter-Astraal Communistisch Naturalisme, is dat een richting om mee voor den dag te komen, of niet?
Spontaan gejuich aan eenige tafels, waar uitsluitend schilders en beeldhouwers zaten, begroette hem. Toen hij hen onderzoekend aankeek, trok de één al ernstiger gezicht dan de ander.
— Volhouden, Dijl, laat je niet door de conservatieven ontmoedigen! riep nu een stem, van verre.
Haastig keek hij in de richting vanwaar dat geluid kwam en bespeurde Sauerman en Van der Voorde. Ze zaten naast elkaar te keuvelen en schenen voor niemand anders aandacht te hebben. Al pratend hield de hoofdredacteur de hand van zijn beschermeling in de zijne.
Van Dijlen, die nu al vijf en twintig jaar gewoon was dat hij, waar hij kwam, werd opgemerkt en geplaagd of in de maling genomen, geloofde niet aan den ernst van hun gesprek. Hun vertrouwelijke houding achtte hij schijn, om hem te negeeren, nadat ze hem toegeroepen hadden. Zoo iets duldde hij nu van niemand en ook niet van hen. Zig-zag schommelend tusschen de tafels door ging hij op hen af, zonder een oogenblik te zwijgen.
— Hé daar, ben jij die frissche jongen die het zoo veel beter weet dan ik? schalde hij Van der Voorde, uit de verte, toe. Ik ken je wel; jij hebt die lasterpraat over me geschreven, in dat miezerige tijdschrift van jullie. Ontken het eens, als je durft, ontken het eens, in het bijzijn van al mijn vrienden.
Gasten stonden op, om hem heen en verder in de zaal, om te zien wie het was, dien hij zoo plotseling persoonlijk aanviel. Er waren er onder die van verre Van der Voorde herkenden en smadelijk lachten.
— Ja, hij is het, die half-zachte! riep een beeldhouwer, een groote breede vent.
392