Henry, we gaan bij Carla en Barend Boutelje zitten, riep ze luid, alsof Averling niet vlak bij haar stond.
Die uiting van vrijmoedigheid gaf hem een schok. Hij mocht het kittige zangeresje graag en meende dat hem, bij al de beslommeringen die de verwarde toestand in het land hem oplegde èn zijn zorg, om zich dezen keer de begeerde ministersportefeuille niet te doen ontgaan, wel eenige afleiding toekwam. Daarom had hij haar zonder aarzeling afgehaald, uit het café chantant, met de bedoeling, zich door haar te laten opvroolijken. Maar, haar uitroep deed hem opeens weer twijfelen of het wel correct stond, zich zoo vlak voor de verkiezingen door een café-zangeresje te laten behandelen alsof hij een van haar kornuiten was; in deze dagen, vreesde hij, verwachtte het publiek nog dringender dan anders van hem, dat hij zich de volmaakt correcte man toonde en zich als zoodanig liet bejegenen.
Dolly hield zich of ze niets bemerkte van zijn verlegenheid. Ze liep met een huppelpasje naar Carla en riep hem nog eens toe, haar te volgen. Dat stoorde hem in een ernstige overweging. Hij vroeg zich dat moment juist af, of hij Kaufmann vragen zou naar het resultaat van diens gesprek met Berends, om dan tegelijk de gelegenheid te benutten, door Bouwer, schijnbaar onbevangen, in de conversatie te betrekken. Een fluit-signaal van Dolly maakte een eind aan zijn aarzeling; hij liep haar achterna. Zijn wankelmoedigheid verontschuldigde hij, innerlijk, met de schrandere bemerking, dat het niet diplomatisch zou zijn, zijn eerste schermutseling met den invloedrijken tegenstander in een café op te zetten. Elke kellner kon een verkapt journalist zijn, hield hij zich voor en zoolang zijn officieele positie nog twijfelachtlg was, moest hij de pers in het onzekere aangaande zijn plannen laten.
Hij boog waardig voor Carla en drukte Boutelje demonstratief de hand. Daar deze reeds begonnen was, Dolly een standje te maken, om haar wispelturig gedrag, wendde hij zich hoffelijk tot mevrouw Kaufmann—Van Maasdam tot Hoogheveen en vroeg belangstellend naar den stand en de vooruitzichten van het porceleinschilderen, in Holland. Carla, die zich innerlijk verkneuterde om de onbeschaamde wijze waarop Dolly Boutelje zat te treiteren, dankte hem vriendelijk voor zijn belangstelling en informeerde op haar beurt naar zijn artistieke inzichten, in verband met zijn, eventueel, aanstaand optreden als minister. Intusschen kon ze het niet nalaten, nu en dan ontevreden te blikken naar haar man, die zich, naar haar toescheen, wat &1 te volhardend toelegde op de verovering van Elly Bogaerts. Ze was zich er weÜswaar van bewust, geen gevoelsbezwaren te hebben tegen een inniger vriendschap tusschen hen, maar het was in den kring van mevrouw Bree-baerts vriendinnen algemeen bekend, dat Elly een bijna onbehoorlijk verlangen had naar een mantel van marterbont. Dat was voor die
385
25