Dolly; één moment werd zijn gezicht geel van ergernis. Nauwelijks een week geleden, toch, had het kleine vrouwtje hem wijs gemaakt dat het uit was met Goudeket en al haar andere vrienden en dat ze voornemens was, voortaan uitsluitend voor haar kunst te leven. En nu had ze de brutaliteit hem met Averling onder de oogen te komen en nog wel in het bijzijn van Kaufmann. Dat vond hij verregaand.
De fractie-voorzitter bemerkte Bouwer en zijn tafelgenooten pas, toen hij vlak bij hen was, zoo druk had hij het met alle groeten te beantwoorden. Hoewel verrast, Kaufmann in gezelschap van den tegenstander te zien, toonde hij zich dadelijk diplomaat; hij lichtte den hoed op en neeg correct. Dolly, die nu ook Elly en Kaufmann bespeurde, uitte een kreetje en snelde op hen toe.
— Dag, dag, mooie menschen zijn jullie, komen me nooit eens hooren, in Victoria.
— Laat je nu éérst eens netjes aan Willem Bouwer voorstellen, zei Kaufmann, vaderlijk. Deze lieve dame is ons aller vriendin Dolly Vis-schraper, tot haar en ons leedwezen getrouwd met Van der Voorde. Waarom heb je dien stijven hourik op sleeptouw? fluisterde hij haar bestraffend in het oor.
Hij had haar reeds zeer jong gekend, nog vóór Boutelje. Ofschoon hij, naar zijn meening, haar nu op een fout betrapte, toonde hij toch schik te hebben in haar driestheid, van Averling alleen te laten staan. Deze was een oogenblik met zijn figuur verlegen. Wel voelde hij reeds lang de noodwendigheid tot een vertrouwelijk gesprek met Bouwer, maar was het nu met zichzelf niet eens, of deze gelegenheid wel de geschikte was, dat schijnbaar onwillekeurig aan te vangen.
— Bent U héusch Bouwer? vroeg het kittige vrouwtje lachend, waardoor haar te groote mond wijd open sperde. Ik had me U altijd véél meer als boeman voorgesteld, viel ze schalks uit.
Dan wendde zij zich plots tot Gertrud.
Maar dan is U . . O, o, wat grappig, wat leuk, dat ik U nu juist ontmoeten moet.
— Mijn vrouw, zei de leider, met nadruk.
Dolly knikte coquet tegen hem, hartelijk tegen Gertrud en gaf druk handjes. Dan tipte ze een sigaret uit Kaufmanns étui en boog zich over naar Elly, om haar een guitigheidje toe te fluisteren. Toen ze zich oprichtte, bemerkte ze Boutelje en Carla. Meteen wuifde ze deze hartelijk toe en maakte een leelijke grimas tegen den partijvoorzitter.
— Kijk, kijk, hij staat zich te overbijten, zei Kaufmann, vol leedvermaak. Wat ik jullie zeg, dat is voor hem geregeld een slag in het aangezicht van het proletariaat. En nog erger.
— Tot straks! schalde Dolly, wipte terug en trok Averling familiaar bij een knoop van zijn jas.
384