Hij lachte hoestend.
— Wou je met haar over haar avontuurtjes babbelen? Nu, Bouwer wacht wel op ons, denk ik. Als je er niets op tegen hebt, gaan we nog even met ons vieren een kop koffie drinken. Maar wat ik je zeggen wou, vervolgde hij op ernstiger toon, moraliseer vooral niet tegen haar, want zij ziet volstrekt niet in dat ze iets misdaan zou hebben. Ze was al lang gek op Bouwer en ze vond dat ze het recht had, van Branders weg te gaan. Hun geval, trouwens, is zoo merkwaardig, dat je aan zielsverwantschap zou denken, zei hij op zijn ethischen toon. Stel je voor, Branders werd als buitenlandsch attaché van het Verbond ontslagen, omdat hij zijn tijd en een boel geld had verknoeid aan Gertrud, en wel op aandringen van Bouwer. En nauwelijks ontmoette ze hèm, of haar heele liefde voor Branders was als vervlogen en voelde ze instinctmatig dat zij bij Bouwer hóórde. Ze heeft heel spontaan gehandeld en daarom zeg ik dat er poëzie in hun liefde is.
Ze liepen voort.
— Als de Dikke U zoo sympathiek over Bouwer hoorde praten, zou hij er misschien wonder wat van denken, schertste ze. Ik wist niet beter of de heele Partij beschouwde hem als den voornaamsten tegenstander.
Kaufmann trok een misnoegd gezicht.
— Maling aan den Dikke, bromde hij. Diè zoekt voor zichzelf precies dat uit, wat hij graag doet en de beroerde corveetjes laat ie voor de anderen over. Enfin, schertste hij met haar mee, als hij me strafregels wil geven, zeg ik maar dat ik alleen in mijn vrije uren vriendschappelijk met Bouwer omga. Misschien ziet hij het dan door de vingers.
Ze hadden de anderen spoedig ingehaald. Elly nam Gertruds arm en ging met haar vóór loopen.
— U is in lang niet bij me geweest, zei ze, op vriendelijken toon.
— Ik wist niet dat ik mocht komen, antwoordde Gertrud gevleid. Maar ik ben wel graag bij U.
Nauwelijks liep ze naast Elly, of het beeld van de bedroefde, over haar stervenden man tobbende, Lina, vervaagde reeds in haar brein. En ook het feit dat ze Helen gesproken had en deze vriendelijk tegen haar was, vond ze al weer heel wat minder belangrijk dan zooeven. Nu deze rijke dame uit de voorname kringen, als hoedanig ze Elly beschouwde, als gelijke naast haar liep en met haar sprak, vond ze zichzelve reeds in alle opzichten ook Helens gelijke. En als mevrouw Bogaerts het vanzelfsprekend vond dat ze bij haar op visite kwam, dan moest die dame haar toch zeker ook wel als behoorend tot de „hoogere wereld” beschouwen.
Elly keek met welgevallen in het peinzend gezichtje.
— U is altijd welkom. . zei ze.
378