Piet Wichers had ook eenige versjes voor de propaganda voor de krant gemaakt. Dr. Bosch gaf Bouwer nog een waarschuwenden wenk, maar de zieke, die dat bemerkte, schudde weigerend het hoofd. Hoewel zijn wangen slap en doorschijnend waren, als had hij heel geen bloed meer, straalden zijn oogen geestkracht uit.
— Als je mijn voorschriften niet nakomt, hou ik je drie dagen langer in de dekens, dreigde de dokter.
— Stil maar, je neemt me er toch niet tusschen, spotte de schrijver. Denk je soms dat ik niet allang weet. . . . dat het op zijn eind loopt? Welke reden heb jij. . . . anders . . . hier je kostbaren tijd. ... te verboemelen.
Bouwer voelde zijn rug koud worden, bij die zelfbespotting. Kauf-mann had hem ingelicht dat er oneenigheid was ontstaan, in het Partijbestuur, naar aanleiding van Carla’s weigering, Berends voor een ge-meente-subsidie aan te bevelen. Enkele kunstenaars van naam hadden er over geschreven, in gezaghebbende tijdschriften en er op gezinspeeld, dat hij dan waarschijnlijk verzuimd had, vooraf intieme vriendschap te sluiten met freule Van Maasdam tot Hoogheveen of met de echtge-noote van den dikken wethouder. Boutelje had het voor Carla opgenomen en Berends uitgemaakt voor een praatjesmakenden timmerman, die te lui was om te werken. Averling had daarentegen uit een tijdschrift voorgelezen, dat hij een auteur van zeer bizondere gaven was. Ook Jacob Goudeket, die in den gemeenteraad graag het air van literatuurkenner aannam, omdat hij in alle wijken van de stad tweede handsch boeken verkocht, had Boutelje tegengesproken. Kaufmann had toen toegegeven dat zijn vrouw soms wat zwak was ten opzichte van de jongelui die aan porceleinschilderen doen en dat ze een verklaarden afkeer had van proletarische auteurs. Dat zei hij voornamelijk om Boutelje dwars te zitten, vertrouwde hij Bouwer toe. Hij had er namelijk niets op tegen, dat de voorzitter werk maakte van zijn vrouw; dat was een persoonlijk geval. Maar, hij kon het niét uitstaan dat hij opeens Elly Bogaerts het hof maakte, nu hij, Kaufmann, haar veel belangstelling ging toonen. De Dikke had betoogd dat freule Van Maasdam tot Hoogheveen een uitstekend hoofdambtenares was, die nauwgezet haar plicht deed en Berends niet veel meer dan een subsidiejager en een literatuur-maniac. Als de man nooit van het timmeren was afgegaan, zou hij een behoorlijk stuk brood hebben gehad en er nooit aan hebben gedacht, te leven ten koste van de gemeenschap. Nu de kunstpers zich echter met de kwestie bemoeide, vond Breebaart het beter, Berends een klein bedrag te doen aanbieden, dan te riskeeren dat ze nog meer de Partij criti-seerde. Toen stelde Sauerman voor, eerder te trachten, Berends aan het partijblad te verbinden, om te voorkomen dat hij aan de nieuwe krant kwam. Dan kon Bogaerts ontslagen worden, wijl deze hem zeer
367