van vroeger, als een zwakke, halfslachtige figuur en beweerden in het openbaar, dat hem niet eens een mooie vrouw als Gertrud toekwam.
Bouwer liet voorloopig eenige kamers in het Gebouw meubileeren, voor Gertrud. Voorts zette hij steeds tot grooter spoed aan, bij de installatie van het Nieuwe Gebouw. Zoodra de derde verdieping gereed was, liet hij haar betrekken door de administratie-afdeeling en de teeken-kamer van het Verbond. Daardoor kreeg hij dra de beschikking over een gansche verdieping in de Rembrandtstraat, die hij smaakvol voor Gertrud liet inrichten. Hier woonde hij nu ook een groot deel van zijn vrijen tijd en ontvingen Gertrud en hij hun vrienden.
Toen zij, in Rotterdam, bekend had, de vrouw van Branders te zijn, had hij, door Suze, laten informeeren, hoe het dezen ging. Ze schreef dat hij nog steeds ziek was en waarschijnlijk blind zou blijven. Dat schokte hem en Gertrud had er een halven dag verdriet om. Maar, trots zijn oprecht medelijden, kon hij er niet toe komen, verband te zien tusschen Branders’ ongelukkig lot en het feit dat Gertrud hem verlaten had. Hij herinnerde zich nu dat Branders, sinds hij getrouwd was, steeds mis-troostiger geworden was en er ongelukkiger had uitgezien dan ooit. Toen Suze hem dan ook verweet, bij zijn terugkomst, dat hij de bewerker van Branders’ ongeluk was, maakte hij, als een schooljongen, een dwaas hoofdgebaar.
— Wees niet zoo dwaas, je ^gelooft het immers zélf niet, zei hij spottend. Hoe kan hij nu nog ongelukkiger zijn, dan hij er vroeger uitzag? En hou met Gertrud óók rekening. Ze kon nu eenmaal niet met hem opschieten; dat laat zich toch niet dwingen.
— Maar vind jijzelf het niet verkeerd, je zoo te laten leiden door je neigingen?
— Verkeerd? vroeg hij, verbaasd. Heelemaal niet. Gert en ik houden van elkaar en ze heeft een buitengewoon goeden invloed op me. Ik heb me nog nooit zoo actief gevoeld, als sinds zij bij me is. Wat kan daar nu voor verkeerds aan zijn? Het gaat me zoo best naar mijn zin, hoor.
Max was naar de woning van zijn moeder vervoerd, om daar te worden verpleegd. Toen Bouwer dat vernam, bood hij aan, de behandeling door het Verbond te doen betalen. Helen antwoordde hem in een beleefd briefje, dat ze dat heel vriendelijk vond, maar er voor bedankte. Zij voor zich beschouwde het voorgevallene als iets onvermijdelijks, schreef ze. Ook vertrouwde ze er op, dat de schok, dien Max had gekregen, hem voor goed van zijn verkeerde neigingen zou genezen.
— Bepaald onvriendelijk schrijft ze toch niet, merkte Bouwer op, toen hij Gertrud den brief liet zien.
— Helen is ook eigenlijk een heel lieve meid; we konden bizonder goed met elkaar opschieten, jokte ze.
— Max vertelde mij dat ze fasciste is.
360