tevens Breebaart en Averling, die in de rats zaten voor dien geweldenaar.
— Ze wacht in het salon op je. Maar, je blijft toch zeker hier koffiedrinken?
— Nee, ik moet naar Den Haag en Rotterdam en ze wou graag een autoritje maken. De afspraak blijft immers, dat je haar volle vrijheid laat, nietwaar?
— De afspraak was, dat je haar als onderpand krijgt, maar volgens recht heb ik niéts over haar te zeggen. Laat ze je dat vanavond maar duidelijk maken. Vergeet vooral niet, er over te spreken. Nu, ik heb geen onderpand noodig, tenzij je Mooie Mea weet te bepraten dat ze mijn privé-secretaresse wordt. Teeken je nu?
— Geef op, zei Bouwer en trok zijn vulpen over het papier.
Kaufmann ruilde nu de beide exemplaren.
— Ziezoo, mijne geef ik aan Rozenbloed in bewaring en als jij verstandig bent doe je het óók.
Bouwer ging alleen naar het salon. Gertrud sprong hem tegemoet, met een jubelkreet en sloeg haar armen om zijn hals. Hij tilde haar op en drukte haar tegen zich aan. Dit oogenblik voelde hij zich doortintelen van een duizeling en genotszwijmel, als hij nog nooit had gekend. Hijgend liet hij haar weer los.
— Ga je mee, vroeg hij, met gesmoorde stem.
— Ja, ja, ja! juichte ze. Waar je maar wilt.
Hij reed haar naar Den Haag, waar hij een bijeenkomst van district-leiders en sectiehoofden toesprak. En dienzelfden avond hield hij een geestdriftige rede in het circus, voor drie duizend arbeiders en burgers, die hem bij zijn opkomst donderend toejuichten.
Gertrud, die naast hem op het podium zat, was als overweldigd van trots en hoogmoed, maar het meest van bewondering voor hem. Nu eerst was ze er zeker van, dat Kaufmann haar niet voorgelogen en evenmin geschertst had. Nu zag ze, nu onderging ze het zelf, hoe veel de menschen van Willem hielden en hoe gelukkig ze waren, dat hij in hun midden was. Ze geloofde zeker dat, als hij hun nü zei dat hij honing wou worden, ze het hem dadelijk maken zouden; zóó blij waren ze met hem. En ja, zooals ze hem daar zag staan, de grootste, de sterkste van allen en allen luisterend naar hem, met glinsterende oogen en open mond, scheen het haar toe, dat hij nu reeds hun heerscher was. Ze achtte het onmogelijk, dat buiten hém nog iemand zóó geëerd en geliefd kon zijn. Nu voelde ze er minder spijt dan ooit om, dat ze zich een tijd lang had afgegeven met den viezen, onaangenamen Kaufmann. Hém immers had ze het te danken, dat ze nu Bouwer had, Willem, dien mooien, sterken man. Hoe heel, héél anders zou nu haar leven worden, dan het met Max was.
Schoon het applaus, bij het einde der vergadering, hem aan het podium
356