weer missen wil. Snap je. En nu heb ik nog wat te doen. Ga jij je maar wat in het salon vermaken.
Hij ging naar zijn studeerkamer en stelde behoedzaam, bij zinnen tegelijk, iets als een overeenkomst op. Toen ze naar zijn zin gereed was, typte hij haar in tweevoud over. Hij was er nauwelijks mee klaar, toen de bel overging. Meteen trilde de huistelefoon.
— Bouwer is er, zei Jo.
— Goed. Laat hem maar hier komen.
De mannen begroetten elkaar vriendelijker dan ze ooit hadden gedaan. In Kaufmann mengde zich minachting voor den lobbes, dien hij uit zijn hand liet eten, met iets als bewondering voor de brute kracht, waarmee Bouwer het Verbond aan zich had onderworpen en de Partij bestreed, tot een onbestemde sympathie. Ook voelde hij een beetje wroeging, bij de gedachte aan welk noodlot hij dien sterken man, in Gertruds armen, overleverde.
Bouwer was reeds zoodanig ingenomen mèt en vervuld van zijn begeerte naar het mooie, blonde meisje, dat hij het ware karakter van den ander niet meer scheen te zien. Heel zijn kennis van de laagheden, die Kaufmann jegens hem en anderen gepleegd had, verzonk in zijn onderbewustzijn. Nü zag hij slechts den man in hem, die het hèm mogelijk had gemaakt, het begeerlijkste meisje te winnen, dat hij ooit ontmoet had.
Toen Jo hen alleen liet, gaf Kaufmann hem het stuk te lezen, dat hij had opgesteld. Bouwer moest er om lachen.
— Dat heeft immers niet de minste rechtsgeldigheid, zei hij.
— Dat hoeft ook niet. Als wij maar weten wat we er mee bedoelen. Jij weet wat jij wilt en ik weet wat mijn belang is. Loopt het met de actie mis, dan verscheuren we de papiertjes en er kraait geen haan meer naar. Win jij daarentegen de Verkiezingen, öf kom je door een anderen streek aan de regeering, dan benoem je mij in je kabinet. Ik ben er op zijn minst zoo geschikt voor, als die boomenidioot Boutelje. En tot het zoover is, werken we allebei op eigen gelegenheid en houden den mond zorgvuldig dicht. Maar, mocht je er bezwaar tegen hebben het te teekenen....
Bouwer haalde met massief gebaar van minachting de breede schouders op.
— Waar is Elsie? vroeg hij.
Kaufmann kon het nu niet nalaten, hem aan te zien met een blik van verholen meerderheid. Dit was nu de man, die hem Mooie Mea voor den neus had weggesnoept, de man die niemand en niets als zijn sterkere had willen erkennen. En hij had hem gevangen, door middel van een meisje, dat anders hèm en ieder ander toch graag terwille zou zijn. Hierin was hij, Kaufmann, dus niet alleen hèm den baas, maar
355