niet? riep hij, bijna vroolijk. Ja, nu geloof ik ook dat de zon door komt. Nu zie ik je pas goed, Suze. Ik had je nog niet eens bedankt voor je hulp, vannacht.
— Ja, ja, dat komt wel goed, zei ze, blozend.
Zijn stem veranderde en dat verraste haar. Ook scheen het of zijn gezicht meer kleur kreeg. Zijn oogen stonden nu veel helderder dan zoo even.
— Susie! joelde Dirkje. Mot ’k je komme hale?
— Ondeugd! riep ze opgeruimd terug. Nu, tot straks, Max.
Een vuist sloeg met kracht op de huisdeur.
— Branders! galmde een stem langs de trap omhoog, Telegram!
— Telegram? herhaalde Max. Zeker van Koch. O ja, ik moet vandaag naar de Langstraat. Wat sta ik toch te suffen.
Suze trippelde de trappen af en was spoedig terug.
— Hier, Max.
Hij greep het telegram, rukte het open en trad dan wankelend op het venster toe. Hij schudde het hoofd, liet het papier vallen en wreef met beide vuisten in de oogen.
Suze keek hem na, kon niets, dorst niets teggen.
— Suze, Suze, ben je er nog? vroeg hij, met gesmoorde stem. Draai het licht aan. Ik kan niets meer zien.
Schrik doorvoer haar. Was dat mogelijk? Had hij straks al weer kunnen zien en was hij nu opnieuw blind geworden?
Ze hielp hem den divan te bereiken. Hij ging zitten, steunde het hoofd in de handen. Zij las het telegram.
Ich komme nie wieder.
Gertrud.
Suze, Suze, ben je er nog? vroeg hij, met bevende stem.
— Ja Max.
— Wil jij. . wil jij me het nog even voorlezen? Het is zoo donker om me heen.
3JO