Om de macht

Titel
Om de macht

Jaar
1931

Pagina's
439



het maakte haar niets wijzer, aangaande wie de inbrekers dan wèl waren. Daar praatte ze echter met Gerrit liever niet over.

—    Dan heb je je eige link gehouwe, gaf ze toe. Ga nou dan in elk gefal na bed, want na soo’n sware nacht kan je toch niet na je karwei. Je baas mocht soms denke, dat je geswabberd had.

Max werd wakker door het grommend geluid van stemmen. Hij onderscheidde die van Gerrit en Tante Jans, en verstond het woord inbrekers. Toen begreep hij, dat ze het over het gebeurde in den nacht hadden.

Hij richtte zich in bed op, voelde aan zijn hoofd. Dof en suf was het daar binnen. Dan herinnerde hij zich, dat het hem eenige uren geleden veel méér pijn had gedaan; het beterde dus. Toen eerst, drong het besef tot hem door, dat hij alleen was.

Gertrud walniet thuis gekomen.

Zoodra hij dit bewust dacht, stak de pijn weer op, in zijn hoofd en ook in zijn borst. Maar hier was het andere pijn, eerder een gevoel of iets in hem knaagde, beet.

Gertrud was er niet; hij was dus alleen .

Zijn oogen gloeiden. Hij staarde naar het venster, voelde de ochtendschemering zijn leden beroeren, zonder dat hij licht waarnam. Dan begon hij langzaam en vaag de voorwerpen in zijn kamer te onderscheiden.

Moedeloos zakte hij achterover. Wat was er gaande, met hem? Was hij opeens zwak, mismoedig en hulpeloos geworden, omdat Gertrud . . . . ? Was hij nu werkelijk ziek, of, verbeeldde hij zich slechts dat hij niet meer zien, ja, niet meer loopen kon . . . ?

Maar Gertrud was er niet.

Hij sufte in.

Plots schrok hij op, door het af loopen van den wekker; nu moest het acht uur zijn. Dan moest hij er uit. Hij rukte zich overeind en maakte het gebaar van de oogen te openen. Maar, de leden wilden zich niet lichten. Om hem heen bleef het grauw als de nacht. Dat was vreemd. Den vorigen ochtend speelde de zon reeds door de kamer, toen hij wakker werd. Februari liep al ten eind.

Een tik op de deur.

—    Acht uur, Max! Ben je al op, of, hoè is het?

Suze’s stem. Ze deed hem denken aan den verloopen nacht, aan haar vriendelijke hulp, haar zorg voor hem.

—    Een oogenblik, Suze! riep hij, met gesmoorde stem.

Haastig trok hij zijn kleeren aan, voorloopig maar, om haar te kunnen binnen laten. Maar het bleef schemer en dat hinderde hem. Nu wilden zijn bovenleden wel oplichten, maar het was net, of een gordijn voor zijn oogen hing. En het hielp niets, of hij ze ook al met de vuist wreef.

348

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.