dellijk herinnerde zij zich weer, wat er voorgevallen was, in den nacht. Met een verwensching liet ze zich uit bed glijden; ze schoot de kamer binnen en greep de pook.
— Komme jullie nou nóg ’s op! schreeuwde ze.
— Seg ’s, wat beteekent dat? vroeg Gerrit, met zijn linksten keelklank.
Hij stond aan de deur, de oogen knippend van slaap.
— Jij! gilde ze, verwoed. Kom jij eindelijk óók eens, nou ze me fer-moord en bestole hebbe?
Hij kon nog net, door een stap zijwaarts, haar aanval ontwijken. Meteen greep hij haar pols beet en kneep die, tot ze de pook liet vallen. Toen liet hij haar los, waarop ze hem een feilen schop tegen zijn enkel gaf.
— Sterf! kreunde hij en liet zich in een stoel vallen. Wat hei jij hier fannacht uitgespookt? Bi je an ’t ferhuise geslage, of wat mot dat, met die fuile wasch op de floer?
— Fraag je dat nog? gilde ze.
— Of ik dat fraag? Dat sièn ik. En de spiegel ook kapot! schreeuwde hij nu. En ’t goeie serfies leit aan barrele! Seg ’s, mot jij d’r foor werreke of ik? Of heb je ’m stiekum wille drosse en mijn onfersorgd achter late?
Tante Jans stond zich intusschen steeds kwader te maken; ze schuimbekte, wijl hij zoo lang aan het woord bleef.
— Kerel, hou je bek, joelde ze eindelijk, of ik fergrijp me an je. Ik waag me eige fier jaar en ses maande an je.
— Mot jij dan de boel an duige slaan, of wat hei je fannacht uitgespookt? vroeg hij, verontwaardigd. En bin ik soms een hond of een slet, dat je me met de pook opwacht? Mensch, wat maak je hier?
— Fraag je dat nog, fraag je dat nog? As jij as kerel sijnde bij nacht en ontij rondswalkt en se breke bij je weerloose frouw in en se slaan d’r attelemiese en se sloope de boel finaal af, fraag jij dan nog wat er gebeurd is? Bi je daarom soo link?
Deze vraag suggereerde Gerrit; ze riep hem tot het alledaagsche terug. Hij schudde op zijn gewone, linke wijze het hoofd, bewoog zijn afstaande ooren en spreidde de beenen wijd van elkaar.
— Link bin ik genogt, laat je dat frisch sijn. En fannacht bin ’k sékers link geweest. Maar jij, jij hebt hier feestgefierd. Asse d’r inbrekers ware geweest, had je toch sekers kanne schreeuwe. Of mankeert je wat an je strottehoofd ?
— Soo, link mirakel, had ik motte schreeuwe, hoonde Tante Jans. Denk je alstemet dat ik pesalleme gesonge heb, toen se me raakte? Ik heb gegild als een gek.
— En binne de bure je niet te hulp gekomme?
— Te hulp gekomme, fraag je? Gelache hebbe se, de slampampers,
346